Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1994:ZC1539

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 1994
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
8496
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Snijders
  • Roelvink
  • Mijnssen
  • Korthals Altes
  • Swens-Donner
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 1:395 BWArt. 1:397 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rangorde in alimentatieplicht tussen vader en stiefvader bij levensonderhoud kind

De zaak betreft een geschil over de alimentatieplicht van een vader ten opzichte van zijn dochter, waarbij ook de stiefvader van de dochter een rol speelt. De dochter verzocht de rechtbank om een bijdrage in haar levensonderhoud en studie van de vader. De rechtbank kende een bedrag toe, dat door het hof deels werd verminderd. De vader stelde cassatie in tegen deze beschikking.

De Hoge Raad stelde vast dat de wettelijke bepalingen omtrent alimentatie (artikelen 1:392, 395 en 397 BW) geen rangorde voorschrijven tussen vader en stiefvader. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever niet heeft willen bepalen dat de stiefouder slechts subsidiair gehouden is tot alimentatie. Beide zijn in beginsel zelfstandig verplicht.

De rechter dient eerst te beoordelen of de draagkracht van beide partijen het betalen van een bijdrage toelaat. Vervolgens moet bij het bepalen van de omvang van de bijdrage ook rekening worden gehouden met de bijzondere verhouding tussen ieder van hen en de gerechtigde. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest en verwees de zaak voor verdere behandeling naar een ander hof.

De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling waarbij vader en stiefvader beiden zelfstandig gehouden zijn tot alimentatie.

Uitspraak

11 november 1994
Eerste Kamer
Rek.nr. 8496
Br.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
[de dochter] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instantiesMet een op 25 juni 1993 ter griffie van de Rechtbank te Assen binnengekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie – verder te noemen: de dochter – zich gewend tot die Rechtbank met verzoek te bepalen dat verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de vader – aan de dochter een bedrag van ƒ 500,-- per maand voldoet als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
Nadat de vader tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 16 november 1993 de beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 3 mei 1993 in die zin gewijzigd, dat de vader met ingang van 1 juli 1993 aan de dochter voor haar levensonderhoud en studie maandelijks een bedrag van ƒ 500,-- dient te voldoen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 23 maart 1994 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Assen van 16 november 1993, voor zover deze betrekking heeft op de periode na 5 juni 1994 vernietigd; in zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof bepaald dat de vader met ingang van 5 juni 1994 aan de dochter een bijdrage in het levensonderhoud en studie dient te voldoen tot een bedrag van ƒ 393,-- per maand en de beschikking voor het overige bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatieTegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Van den Berge strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De dochter is op [geboortedatum] 1974 geboren uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en [de moeder] (hierna: de moeder).
De moeder is hertrouwd en heeft geen eigen inkomsten. De dochter woont bij haar moeder en stiefvader.
De dochter heeft naast de basisbeurs die zij op grond van de Wet op de Studiefinanciering ontvangt, behoefte aan een aanvullende bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.
3.2 Het Hof heeft in rov. 4.5 overwogen:
"
De vader heeft gesteld dat de dochter mede onderhouden kan worden door de moeder en de stiefvader. (…..).".
Het middel bestrijdt dit oordeel primair met een rechtsklacht. Deze strekt, kort gezegd, ten betoge dat het Hof als algemene regel formuleert dat de stiefvader eerst dan dient bij te dragen indien de draagkracht van de vader onvoldoende is, zulks ten onrechte, aangezien het stelsel van de art. 1:392, 395, 395
aen 397 BW geen rangorde van de alimentatieverplichtingen meebrengt indien meer personen op grond van bloed- of aanverwantschap tot het verstrekken van levensonderhoud gehouden zijn.
Deze klacht is gegrond.
Uit de wetsgeschiedenis betreffende art. 1:392 blijkt Pro dat de wetgever het niet gewenst heeft geoordeeld te bepalen dat de wettelijke alimentatieplicht van een stiefouder subsidiair is aan die van de ouders (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 1, blz. 1442/1443).
In beginsel zijn derhalve de vader en de stiefvader beiden gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud aan de dochter. De rechter dient eerst vast te stellen of de draagkracht van beiden het betalen van een bijdrage toelaat; indien zulks het geval is, moet de rechter vervolgens bij het vaststellen van de omvang van die bijdrage ingevolge art. 1:397 lid Pro 2, behalve met ieders draagkracht, ook rekening houden met de bijzondere verhouding waarin ieder van beiden tot de gerechtigde staat (vgl HR 22 april 1988 NJ 1989, 386 en HR 28 mei 1993 NJ 1994, 434).
De subsidiair aangevoerde motiveringsklacht komt dus niet aan de orde.
4. BeslissingDe Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Hof te Leeuwarden van 23 maart 1994;
verwijst de zaak naar het Hof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op
11 november 1994.