Uitspraak
9 december 1994.
Hoge Raad
Op 4 september 1989 maakte eiser, toen zeventien jaar oud, een boswandeling met verweerder en twee anderen. Tijdens deze wandeling schopte eiser tegen een tak, die terugzwaaide en verweerder in het rechteroog raakte, wat leidde tot verlies van dat oog.
Verweerder vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De rechtbank wees de vordering af, het hof stelde de vordering juist wel toe met het oordeel dat eiser onzorgvuldig had gehandeld door zonder noodzaak tegen de tak te schoppen en zich niet voldoende bewust te zijn geweest van het gevaar.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof de juiste maatstaf voor onrechtmatigheid heeft miskend. Niet iedere mogelijkheid van een ongeval maakt gedrag onrechtmatig; het moet gaan om een zodanig grote waarschijnlijkheid van letsel dat het gedrag niet door de beugel kan. Bovendien ontbrak het aan voldoende feiten over de precieze omstandigheden van het incident om dit te kunnen beoordelen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarmee de vordering van verweerder wordt afgewezen. De kosten van het hoger beroep en cassatie worden aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarmee de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.