Uitspraak
[X] Limitedte
Groot Brittanniëtegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 18 oktober 1991 betreffende na te melden uitspraak.
Hoge Raad
Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde effectenmakelaar en geregistreerd als marketmaker, had dividendbewijzen van Koninklijke Olie gekocht voor dividenden die wel waren gedeclareerd maar nog niet betaalbaar waren. Na het betaalbaar worden ontving belanghebbende de dividenden verminderd met 25% Nederlandse dividendbelasting via een Belgische uitbetalingsinstantie.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende op grond van artikel 10 van Pro het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk recht had op een teruggaaf van 10% dividendbelasting. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden kon worden aangemerkt omdat de dividendbewijzen waren gekocht terwijl het dividend al was gedeclareerd.
De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat belanghebbende door aankoop eigenaar was geworden van de dividendbewijzen en vrijelijk over de dividenden kon beschikken. Het verdrag stelt niet als eis dat de uiteindelijk gerechtigde ook de aandelen moet bezitten. De Hoge Raad oordeelde dat het tijdstip van terbeschikkingstelling van het dividend bepalend is, niet het moment van declaratie.
De uitspraak van het hof en de beschikking van de inspecteur werden vernietigd, en belanghebbende werd de teruggaaf van dividendbelasting van ƒ 371.696,40 toegekend. Tevens werd bepaald dat de proceskosten aan belanghebbende worden vergoed en dat belanghebbende zich mag uitlaten over een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten.
Uitkomst: Hoge Raad bepaalt dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting van ƒ 371.696,40.