ECLI:NL:HR:1994:ZC5655

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 april 1994
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
28500
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 16 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 29 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingenArtikel 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt fiscale behandeling vervangingsreserve bij buitenlandse leiding

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had in 1984 twee bedrijfsmiddelen verkocht en de boekwinst gereserveerd volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In 1986 werden de aandelen verkocht en verhuisde de feitelijke leiding naar Spanje. De Inspecteur rekende de vervangingsreserve toe aan de winst tot 6 maart 1986, de datum van vertrek van de leiding.

Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dat vanaf 6 maart 1986 geen in Nederland belastbare winst meer werd genoten, waardoor de vervangingsreserve moet worden toegerekend aan het boekjaar dat op die datum eindigt. Het verzoek van belanghebbende om deskundigen te horen werd afgewezen omdat het betrekking had op reeds aanvaarde feiten.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de aanslag onjuist is, mede vanwege het ontbreken van een vereiste aangifte. Het cassatieberoep wordt verworpen, en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vennootschap wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting over 1986 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 28.500
27 april 1994
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.V.[X]te
[Z], Spanje, tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 26 juni 1991 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1986 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 175.000,--, met een verhoging wegens niet tijdige aangifte ten bedrage van f 250,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. B.A.M. van Maarschalkerwaart, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 8 juli 1993 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
3.1.1. Belanghebbende heeft in 1984 een tweetal bedrijfsmiddelen verkocht en de daarbij behaalde boekwinst van f 154.738,-- gereserveerd op de voet van artikel 14 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Bij de aanslagregeling over de jaren 1984 en 1985 is deze vervangingsreserve aanvaard.
3.1.2. Op 5 maart 1986 zijn de aandelen in belanghebbende verkocht. Met ingang van 6 maart 1986 is de feitelijke leiding van belanghebbende gelegen te [Z] in Spanje.
3.1.3. De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslag over het onderhavige jaar (1986) het saldo van de vervangingsreserve gerekend tot de tot 6 maart 1986 behaalde winst.
3.2. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat belanghebbende per 6 maart 1986 is opgehouden hier te lande belastbare winst te genieten, zodat ingevolge artikel 16 van Pro de Wet de vervangingsreserve dient te worden gerekend tot de winst van het per 6 maart 1986 geëindigde boekjaar.
3.3.1. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het verzoek van belanghebbende tot het horen van deskundigen en/of getuigen op een tweede zitting wordt gepasseerd, nu dit horen betrekking heeft op de - door het Hof reeds aanvaarde - vorming van de vervangingsreserve.
3.3.2. De eerste klacht, die zich tegen dit oordeel richt, faalt aangezien 's Hofs oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk is, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.
3.4.1. Het Hof heeft overwogen dat, nu belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, het bepaalde in artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen meebrengt dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de aanslag onjuist is, en dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat of in hoeverre de overigens door de Inspecteur in aanmerking genomen winst op een te hoog bedrag is gesteld.
3.4.2. De hiertegen gerichte klacht dat het Hof rekening had moeten houden met de door belanghebbende in haar pleitnota gestelde kosten, faalt. Het Hof heeft met zijn oordeel immers tot uitdrukking gebracht dat met hetgeen door belanghebbende met betrekking tot die kosten is gesteld, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de winst tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het Hof was daarbij niet verplicht om op belanghebbendes aanbod de boekhouding over te leggen in te gaan.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 27 april 1994.