Uitspraak
B.V.[X]te
[Z], Spanje, tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 26 juni 1991 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had in 1984 twee bedrijfsmiddelen verkocht en de boekwinst gereserveerd volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In 1986 werden de aandelen verkocht en verhuisde de feitelijke leiding naar Spanje. De Inspecteur rekende de vervangingsreserve toe aan de winst tot 6 maart 1986, de datum van vertrek van de leiding.
Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dat vanaf 6 maart 1986 geen in Nederland belastbare winst meer werd genoten, waardoor de vervangingsreserve moet worden toegerekend aan het boekjaar dat op die datum eindigt. Het verzoek van belanghebbende om deskundigen te horen werd afgewezen omdat het betrekking had op reeds aanvaarde feiten.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de aanslag onjuist is, mede vanwege het ontbreken van een vereiste aangifte. Het cassatieberoep wordt verworpen, en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vennootschap wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting over 1986 blijft gehandhaafd.