Uitspraak
[woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak uit anderen hoofde gedetineerd in [A] .
17 mei 1994.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die in september 1990 bij een tankstation probeerde te betalen met een creditcard die niet op zijn naam stond, met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen door middel van listige kunstgrepen. De verdachte tankte benzine en probeerde sigaretten mee te nemen, maar de betaling liep mis doordat de bediende de fraude vermoedde en contact opnam met de creditcardmaatschappij.
De rechtbank en het hof oordeelden dat sprake was van poging tot oplichting, waarbij het hof de term 'afgifte' interpreteerde als het toelaten dat iets wordt weggenomen, zonder dat daadwerkelijk tot afgifte is overgegaan. De verdediging stelde dat uit de bewijsmiddelen bleek dat het delict voltooid was, maar de Hoge Raad vond de motivering van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad benadrukte het belang van een scherpe scheiding tussen pogingen en voltooide vermogensdelicten en wees op recente jurisprudentie waarin de grenzen tussen oplichting en diefstal vervagen. Desondanks concludeerde de Hoge Raad dat de bewezenverklaring van poging tot oplichting door het hof terecht was gemotiveerd en dat het cassatieberoep daarom moest worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor poging tot oplichting wordt bevestigd.