De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het niet opvolgen van een bevel tot medewerking aan een ademtest, zoals bedoeld in artikel 33a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet. De verdachte had het bevel van een opsporingsambtenaar van de gemeentepolitie niet opgevolgd, aldus het hof. De verdediging voerde medische redenen aan voor het gedrag van de verdachte tijdens de ademtest, waaronder astmatische bronchitis en pancreatitis, maar dit werd door het hof verworpen vanwege het ontbreken van een tijdige melding aan de politie.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat het hof weliswaar had bewezenverklaard dat de verdachte geen gevolg gaf aan de aanwijzingen ten dienste van het onderzoek, maar niet dat deze aanwijzingen waren gegeven door een opsporingsambtenaar. Hierdoor ontbrak een essentieel bestanddeel van het strafbare feit. Het bewezenverklaarde leverde daarom geen strafbaar feit op. De Hoge Raad vernietigde de veroordeling en sprak de verdachte vrij van alle rechtsvervolging.
De zaak illustreert het belang van een juiste kwalificatie van het gegeven bevel en de noodzaak dat het bevel moet zijn gegeven door een bevoegde opsporingsambtenaar om tot strafvervolging te kunnen leiden. Het beroep van de verdachte werd verder verworpen.