Uitspraak
[woonplaats].
7 november 1995.
Hoge Raad
De zaak betreft het opzettelijk invoeren van twee groenvleugelara's zonder vergunning in Nederland. De verdachte had contact opgenomen met het Cites-bureau voor informatie over invoervereisten, maar beschikte niet over de benodigde vergunning en voetringen voor de vogels. Het hof achtte bewezen dat de verdachte wist dat hij niet over een vergunning beschikte en veroordeelde hem.
De Hoge Raad oordeelde dat voor de bewezenverklaring van opzet het voldoende is dat de verdachte wist dat hij niet in het bezit was van een vergunning. Het is niet vereist dat hij wist dat invoer zonder vergunning verboden was. De verdediging voerde aan dat de verdachte mocht vertrouwen op mededelingen van bevoegde instanties, maar dit verweer werd verworpen.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd. De Hoge Raad benadrukte dat de verdachte afhankelijk was van voorlichting van instanties, maar dat dit niet vrijpleit bij bewust ontbreken van een vergunning. De straf van verbeurdverklaring bleef gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor het opzettelijk invoeren van twee groenvleugelara's zonder vergunning.