ECLI:NL:HR:1995:AA1490

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30024
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Wildeboer
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArtikel I, letter b, Verdrag van Londen 19 juni 1951 (NAVO-Status Verdrag)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering vrijstelling inkomstenbelasting voor Italiaanse ingenieur werkzaam voor USAF

Belanghebbende, een in Nederland wonende Italiaanse ingenieur werkzaam voor de United States Air Force (USAF) op een vliegbasis te Nederland, maakte aanspraak op een vrijstelling van inkomstenbelasting voor het jaar 1985. De Inspecteur had de aanslag verminderd, maar het Gerechtshof Amsterdam bevestigde de aanslag en oordeelde dat de vrijstelling niet op belanghebbende van toepassing was.

De Hoge Raad overwoog dat de Staatssecretaris van Financiën op grond van een brief van 10 maart 1981 en de bijbehorende correspondentie terecht had besloten dat de vrijstelling alleen geldt voor Amerikaanse staatsburgers die op de vliegbasis werkzaam zijn. Het Hof had deze uitleg van de brief als niet onbegrijpelijk beoordeeld en dat oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd.

Verder oordeelde het Hof dat het NAVO-Status Verdrag niet in de weg staat aan het stellen van nadere voorwaarden aan de vrijstelling, waaronder beperking tot Amerikaanse staatsburgers. Dit onderscheid naar nationaliteit werd door de Hoge Raad als objectief en redelijk gerechtvaardigd beschouwd, mede vanwege het Amerikaanse belastingstelsel dat aanknoopt bij nationaliteit en het ontbreken van bewijs dat het Italiaanse belastingstelsel dit ook doet.

De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest werd op 15 februari 1995 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vrijstelling van inkomstenbelasting beperkt is tot Amerikaanse staatsburgers.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 oktober 1993 betreffende de hem voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1985 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 232.290,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 212.466,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele middelen aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de Staatssecretaris gelet op diens in de uitspraak van het Hof onder 2.4.5 ten dele weergegeven brief van 10 maart 1981 heeft kunnen en mogen beslissen dat belangheb bende, een hier te lande wonende ingenieur van de Italiaanse nationaliteit die in het onderhavige jaar in dienst van A, gevestigd te Q, werkzaam was op de vliegbasis te R ten behoeve van de United States Air Force (USAF), geen aanspraak kan maken op de vrij stelling van inkomstenbelasting die door de Staatssecretaris is verleend aan een groep op die vliegbasis ten behoeve van de USAF werkzame, niet in dienst van de Verenigde Staten zijnde, technici. Dit oordeel, waarin besloten ligt het oordeel van het Hof dat de bedoelde vrijstelling niet op belanghebbende van toe passing is, berust op de aan het Hof voorbehouden, niet onbegrijpelijke uitlegging van genoemde brief van 10 maart 1981 in samenhang met de daaraan voorafgegane in de uitspraak van het Hof nader aangeduide correspondentie. Voor zover het middel tegen dit oordeel is gericht faalt het derhalve. 3.2. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de omstandigheid dat onderdanen van alle NAVO-staten, in dienst bij een der NAVO-strijdkrachten, kunnen behoren tot de civiele dienst in de zin van artikel I, letter b, van het Verdrag van Londen van 19 juni 1951, tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun strijdkrachten (Trb. 1951, 114, hierna: het NAVO-Status Verdrag) niet eraan in de weg staat dat de Staatssecretaris vrij is aan het verlenen van een goedkeuring om ook anderen dan in het NAVO-Status Verdrag genoemde personen tot die civiele dienst te rekenen, nadere voorwaarden te verbinden, onder meer hun nationaliteit betreffende, gelijk hij in dit geval ook gedaan heeft door de vrijstelling te beperken tot Amerikaanse Staatsburgers. Tegen dit oordeel richt zich het middel met de klacht dat aldus een verboden onderscheid naar nationaliteit wordt ge maakt. Deze klacht treft geen doel. De door het Hof aannemelijk geachte strekking van de beperking tot Amerikaanse staatsburgers te voorkomen dat het loon van de werknemer noch in Nederland, noch in enig ander land in de heffing wordt betrokken vormt voor het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging, in aanmerking genomen enerzijds dat naar 's Hofs kennelijke, in cassatie onbestreden, vaststelling dat - kort gezegd - het Amerikaanse belastingstelsel aanknoopt bij de nationaliteit en anderzijds dat uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat ook het Italiaanse belastingstelsel daarbij aanknoopt. Het vorenoverwogene klemt te meer nu ten aanzien van de rechtstreeks onder artikel X van het NAVO-Status Verdrag vallende leden van een civiele dienst is beoogd - zoals is ver meld in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp tot goedkeuring van het NAVO-Status Verdrag (Kamerstukken II 1952/1953, 2881, nr. 3, blz. 6 lk) - dat zij geen fiscale na- of voordelen dienen te ondervinden indien zij hun dienst buiten de eigen staat uitoefenen, waartoe naast de in artikel X, lid 1, tweede volzin, verwoorde vrijstelling in artikel X, lid 1, eerste volzin is bepaald dat de tijdelijke te werkstelling buiten de eigen Staat wordt geacht geen verandering van woonplaats te weeg te brengen. 3.3. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 februari 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.