ECLI:NL:HR:1995:AA1510

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30371
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Van der Linde
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 5 Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen niet-ontvankelijkverklaring in motorrijtuigenbelastingzaak

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd gehandhaafd. Bij het Gerechtshof Arnhem werd het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht zoals vereist door de toen geldende wetgeving.

Belanghebbende stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, maar het Hof verklaarde dit verzet ongegrond. Vervolgens werd door belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad constateerde dat het cassatieberoep geen concrete klachten bevatte tegen de uitspraak van het Hof en vond ook ambtshalve geen reden tot vernietiging. Daarom werd het beroep verworpen. Tevens werd het betaalde griffierecht teruggegeven aan belanghebbende.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep bij het Hof blijft niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van griffierecht.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 18 augustus 1993 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van dat Hof betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voormelde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Bij beschikking van 4 augustus 1992 heeft de Voorzitter van voormelde Belastingkamer belanghebbende wegens het in gebreke blijven met de betaling van verschuldigde griffierecht binnen de termijn van twee maanden als bedoeld in artikel 5, lid 5 (tekst vóór 1994), van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep. Het Hof heeft het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij ver toogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het beroep in cassatie Het beroepschrift in cassatie bevat geen klacht tegen de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad is ook ambtshalve niet gebleken van een grond waarop die uitspraak zou behoren te worden vernietigd. Het beroep kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 september 1995 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde, als voorzitter, en de raadsheren C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van f 75,-- wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven. De waarnemend griffier,