ECLI:NL:HR:1995:AA1544
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Linde
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onvoldoende zelfstandigheid voor zelfstandig beroep bij interim-management
Belanghebbende kreeg voor 1987 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar en ambtshalve vermindering op een belastbaar inkomen van ƒ 141.328 werd vastgesteld. Na beroep bij het Gerechtshof Arnhem vernietigde de Hoge Raad dit arrest en verwees de zaak terug naar het Hof te 's-Hertogenbosch. Dit Hof vernietigde vervolgens de uitspraak van de Inspecteur en handhaafde de ambtshalve vermindering.
In het tweede cassatieberoep betoogde belanghebbende dat hij wel zelfstandig was in zijn werkzaamheden als interim-manager. Het Hof oordeelde echter dat hij onvoldoende zelfstandigheid bezat ten opzichte van A BV, waardoor zijn werkzaamheden niet als zelfstandig beroep konden worden aangemerkt. Dit oordeel is feitelijk en juridisch juist en kan in cassatie niet worden vernietigd.
Daarnaast faalde het verweer dat het Hof zijn voorlopige oordeel over de ondernemersrisico's en continuïteit niet in de uitspraak had opgenomen. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof daartoe niet verplicht was. De overige klachten werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad wees het beroep af en achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof dat belanghebbende onvoldoende zelfstandigheid bezat wordt bevestigd.