ECLI:NL:HR:1995:AA1545
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing autokostenfictie bij gebruik auto echtgenote in onderneming
Belanghebbende, een zelfstandig dierenarts, gebruikte in 1986 een auto die eigendom was van zijn echtgenote, met wie hij buiten gemeenschap van goederen was gehuwd, zowel voor privé als zakelijke doeleinden. Hij bracht autokosten ten bedrage van ƒ 11.287,50 ten laste van zijn winst, berekend op basis van een kilometerprijs van ƒ 0,85. Het Gerechtshof Amsterdam stelde de werkelijk gemaakte autokosten vast op ƒ 9.980,-- en verminderde de navorderingsaanslag dienovereenkomstig.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, stellende dat de autokostenfictie niet van toepassing zou zijn omdat de auto niet zijn eigendom was. De Hoge Raad oordeelde echter dat het feit dat de auto eigendom was van de echtgenote, met wie buiten gemeenschap van goederen was gehuwd, niet aan de toepassing van de autokostenfictie in de weg staat, aangezien belanghebbende alle kosten droeg en over de auto kon beschikken voor zijn onderneming.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beslissing van het Hof. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af, maar bepaalde dat het door belanghebbende betaalde bedrag voor de vervanging van de mondelinge uitspraak door het Hof werd terugbetaald.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag verminderd door het Hof blijft in stand.