ECLI:NL:HR:1995:AA1550

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29910
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Wildeboer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972Art. 31 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 57 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over fiscale afwikkeling schadevergoeding bij ontbinding arbeidsovereenkomst

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 86.094,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Arnhem werd deze aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat hij door een tijdelijke geestelijke stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen omtrent de fiscale afwikkeling van een schadevergoeding van ƒ 400.000,-- toegekend bij ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende dit niet had aangetoond en wees het beroep af. De Hoge Raad stelde vast dat het Hof niet verplicht was deskundigen te raadplegen en dat de door belanghebbende overgelegde medische verklaringen waren meegewogen. De klachten van belanghebbende leiden niet tot cassatie.

De Hoge Raad constateerde echter dat het Hof onjuist had geoordeeld over de fiscale kwalificatie van de vergoeding. De vergoeding moest worden gezien als een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van loon, waarop het bijzondere tarief van artikel 57 van Pro de Wet van toepassing is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en vermindert de aanslag. Tevens wordt belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, vermindert de aanslag en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 september 1993 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 86.094,-- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd, waaronder de door hem overgelegde verklaringen van medici, niet heeft waargemaakt dat hij ten gevolge van een tijdelijke geestelijke stoornis niet in staat is geweest met betrekking tot de hem door de Inspecteur voorgelegde wijze van (fiscale) afwikkeling van de hem bij de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst door de kantonrechter toegekende schadevergoeding van ƒ 400.000,-- zijn wil te bepalen en/of de fiscale gevolgen van die wijze van afwikkeling te overzien. De eerste klacht van belanghebbende houdt in dat het Hof niet tot dit oordeel had mogen komen zonder deskundigen te raadplegen. Deze klacht faalt, nu een hof niet ambtshalve gehouden is deskundigen te raadplegen en uit de bestreden uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende heeft aangeboden het bewijs van zijn stelling te leveren, anders dan met de door hem overgelegde verklaringen van medici welke in 's Hofs oordeel zijn betrokken. 3.2 De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende aan de door de Inspecteur in zijn brief van 18 augustus 1988 gestelde voorwaarden is gebonden en dat - naar het Hof kennelijk bedoelt: op grond van die tussen belanghebbende en de Inspecteur overeengekomen voorwaarden - voor de heffing van de inkomstenbelasting moet worden aangenomen dat de vergoeding ter grootte van ƒ 400.000,-- is toegekend in de vorm van een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon (zoals bedoeld in artikel 11, aanhef en letter e van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972, tekst 1988). Hiervan uitgaande kan hetgeen belanghebbende in plaats van de periodieke uitkeringen waarop hij aanspraak had ten titel van afkoopsom heeft ontvangen niet anders worden gezien dan als genoten ter vervanging van inkomsten als bedoeld in artikel 31 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), zodat daarop het bijzonder tarief van artikel 57 van Pro de Wet van toepassing is. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 86.094,--, waarvan een bedrag van ƒ 40.000,-- belast op de voet van artikel 57 van Pro de Wet en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 375,--.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, in raadkamer van 29 maart 1995.