ECLI:NL:HR:1995:AA1567
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Betaling borgstelling niet aan te merken als uitgave levensonderhoud zoon
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting over 1989, waarbij het geschil draaide om de fiscale behandeling van een betaling die haar echtgenoot had gedaan als borg voor hun zoon. De zoon exploiteerde een café-restaurant dat niet levensvatbaar bleek en werd in 1988 gestaakt. De echtgenoot had zich borg gesteld voor een rekening-courantkrediet van de zoon bij een bank, die na niet-nakoming van de zoon de borg aansprak en betaling verkreeg.
Belanghebbende had de regresvordering op de zoon in haar aangifte voor de vermogensbelasting op nihil gewaardeerd. Het Hof bevestigde dat de betaling door de echtgenoot niet kon worden aangemerkt als een uitgave tot levensonderhoud in de zin van artikel 46 lid 1 sub a Wet Pro IB 1964.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat een borgstelling en de daarop volgende betaling fiscaal gezien gelijkgesteld moeten worden met het verstrekken van een lening aan de naaste verwant. Daarbij is het niet relevant of de lening volwaardig is of dat de borgstelling bedoeld was om betalingsmoeilijkheden te verlichten. Het beroep in cassatie werd verworpen.
De Hoge Raad vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en sprak het arrest uit in aanwezigheid van de genoemde raadsheren en griffier.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de betaling uit hoofde van borgstelling geen uitgave tot levensonderhoud is maar een lening.