ECLI:NL:HR:1995:AA1568

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30387
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Wildeboer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over toepassing reiskostenforfait bij meerdere dienstbetrekkingen

Belanghebbende had voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd gekregen op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 68.629,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 67.690,--. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof de toepassing van het reiskostenforfait bij woon-werkverkeer van belanghebbende, die twee dienstbetrekkingen op verschillende arbeidsplaatsen vervult. De vraag was of voor het woon-werkverkeer op zaterdag recht bestaat op aftrek van kosten per kilometer of dat het reiskostenforfait daarop van toepassing is.

De Hoge Raad stelde vast dat volgens artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 het reiskostenforfait per dienstbetrekking afzonderlijk moet worden beoordeeld. Voor reizen op dezelfde dag naar verschillende arbeidsplaatsen geldt het forfait alleen voor de meest bereisde arbeidsplaats, terwijl de overige reiskosten volgens de algemene aftrekregels worden behandeld.

Omdat op zaterdag geen reizen naar meerdere arbeidsplaatsen plaatsvinden, is het forfait op die dag wel van toepassing. Het oordeel van het Hof hierover was onjuist, waardoor het arrest werd vernietigd en de aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 68.409,--. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 68.409,--.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 juni 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 68.629,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 67.690,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie is de vraag aan de orde of belanghebbende, die twee dienstbetrekkingen vervult en daartoe op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag heen en weer reist tussen zijn woning in Z en zijn werk in Q en op dinsdag, donderdag en zaterdag tussen zijn woning en zijn andere werk in R, voor het woon-werkverkeer op zaterdag recht heeft op aftrek van kosten per kilometer dan wel of het reiskostenforfait daarop van toepassing is. 3.2. Indien, zoals hier, een belastingplichtige twee dienstbetrekkingen op verschillende arbeidsplaatsen vervult, dient ingevolge artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, tekst 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling), voor elk van die dienstbetrekkingen afzonderlijk te worden beoordeeld of het reiskostenforfait als bedoeld in het eerste lid van dat artikel van toepassing is, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 8, lid 6, meebrengt dat als voor de vervulling van die dienstbetrekkingen op dezelfde dag naar verschillende arbeidsplaatsen wordt gereisd, het reiskostenforfait alleen van toepassing is op de meest bereisde arbeidsplaats en de kosten van het reizen op die dag tussen de woning en de andere arbeidsplaatsen in aanmerking worden genomen volgens de regels die in het algemeen voor aftrekbare kosten gelden. 3.3. Nu voor wat betreft het woon-werkverkeer van belanghebbende op de zaterdagen zich niet voordoet dat hij op die dagen naar verschillende arbeidsplaatsen moet reizen, is het reiskostenforfait op dat woon-werkverkeer van toepassing. 3.4. Het andersluidende oordeel van het Hof is derhalve onjuist. Het middel is gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het belastbare inkomen moet nader worden vastgesteld op (ƒ 68.629,-- min ƒ 220,-- of) ƒ 68.409,--.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 68.409,-- en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.
Dit arrest is op 26 april 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.