ECLI:NL:HR:1995:AA1572

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30271
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Van der Linde
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt handhaving aanslag inkomstenbelasting 1992 na beroep

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 30.919 en een te betalen bedrag van ƒ 3.417. Na bezwaar werd deze aanslag door de Inspecteur verminderd tot een te betalen bedrag van ƒ 412 bij een belastbaar inkomen van ƒ 29.898.

Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Leeuwarden, dat de uitspraak van de Inspecteur vernietigde en de ambtshalve vermindering van de aanslag handhaafde. Tegen dit arrest stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klacht niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende werd terugbetaald. Het arrest werd op 24 mei 1995 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting 1992 wordt gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 22 april 1994 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 30.919,--, met een te betalen bedrag van ƒ 3.417,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 30.919,--, met een te betalen bedrag van ƒ 778,--, en bij ambtshalve gegeven beschikking tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 29.898,--, met een te betalen bedrag van ƒ 412,--. Belanghebbende is tegen de uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft vernietigd, en de aanslag, zoals deze door de Inspecteur ambtshalve is verminderd, heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klacht De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en bepaalt dat aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.
Dit arrest is op 24 mei 1995 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter, en de raadsheren De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.