ECLI:NL:HR:1995:AA1582

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30113
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 3 AWRArt. 68 lid 1 letter a AWRArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1984

Belanghebbende kreeg aanvankelijk een aanslag inkomstenbelasting 1984 opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 85.000,--. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 164.643,-- en een verhoging van 100%. Deze verhoging werd niet kwijtgescholden door de Inspecteur.

Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Arnhem, dat de navorderingsaanslag bevestigde met aftrek wegens dubbele belasting en de verhoging handhaafde. Tegen dit arrest stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad met twee middelen.

De Hoge Raad verwierp het eerste middel en zag af van bespreking van het tweede middel, omdat belanghebbende inmiddels vrijgesproken was van de strafrechtelijke overtreding waarop de verhoging was gebaseerd. Volgens artikel 18 lid 3 AWR Pro vervalt de verhoging dan. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, schafte de verhoging af, en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, vermindert de navorderingsaanslag zonder verhoging en gelast vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Duitsland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te - Arnhem van 10 februari 1994 betreffende na te melden aan hem over het jaar 1984 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1984 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.000,--. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 164.643,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur niet is kwijtgescholden. Belanghebbende is van de navorderingsaanslag en het besluit geen kwijtschelding te verlenen in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de navorderings- aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 164.643,-- met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van ƒ 46.527,-- en een verhoging van 100 percent en het heeft het besluit geen kwijtschelding te verlenen bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen en ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie. 3.1. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.2. Het tweede middel behoeft geen bespreking. Belanghebbende is, naar de Hoge Raad is gebleken, bij het in kracht van gewijsde gegane arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 juni 1994 vrijgesproken van de hem telaste gelegde overtreding van artikel 68,lid 1, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De stukken van het geding, waaronder een rapport van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de verhoging haar grond vindt in de feiten, ter zake waarvan het arrest is gewezen. Ingevolge het bepaalde in artikel 18, lid 3, van de AWR vervalt de verhoging. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor wat betreft de beslissing omtrent het griffierecht, alsmede het besluit van de Inspecteur geen kwijtschelding te verlenen, vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 164.643,-- met een verrekening wegens elders belast inkomen van ƒ 46.527,--, zonder verhoging en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--
Dit arrest is op 26 april 1995 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.