ECLI:NL:HR:1995:AA1611

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30404
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Urlings
  • Herrmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 15 Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing toepassing aandelenoptieregeling op bonusregeling manager

Belanghebbende, manager bij A Limited, ontving in 1990 een bonusregeling waarvan de opbrengst afhankelijk was van het koersverloop van aandelen in zijn werkgever. Deze bonus werd volledig als belast loon aangemerkt. Hoewel een ex-collega in een vergelijkbare situatie een bijzonder tarief van 20% toegewezen kreeg, werd aan belanghebbende deze toepassing geweigerd.

Het Gerechtshof Arnhem bevestigde de aanslag en wees het beroep van belanghebbende af. De Hoge Raad oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden omdat slechts één vergelijkbaar geval is aangevoerd en de wet juist is toegepast op de situatie van belanghebbende.

Voorts is geoordeeld dat de toezegging van de inspecteur om de aandelenoptieregeling toe te passen, in strijd was met de juiste wetstoepassing en belanghebbende hierop niet redelijkerwijs mocht vertrouwen. Het cassatieberoep wordt verworpen en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting over 1990 wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 juni 1994 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 158.949,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in het onderhavige jaar als manager in dienstbetrekking bij A Limited. Onder meer met hem is in het onderhavige jaar een regeling getroffen waarbij hem een bonus is toegezegd waarvan het beloop afhankelijk was van het koersverloop van bepaalde aandelen in A Limited (hierna: de bonusregeling). De opbrengst van die regeling ten bedrage van ƒ 52.786,-- is hem nog in hetzelfde jaar uitbetaald en door de werkgever geheel tot het volgens de tabel belaste loon gerekend. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 15 van Pro de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, de zogenoemde aandelenoptieregeling, niet op de onderhavige regeling van toepassing is. Belanghebbende heeft zich voor het Hof evenwel op het standpunt gesteld dat de Inspecteur een stellige toezegging aan hem heeft gedaan de aandelenoptieregeling toe te passen op de bonusregeling. Een ex-collega van belanghebbende die onder dezelfde eenheid valt als belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de opbrengst van de bonusregeling toepassing van het bijzondere tarief van 20 percent gevraagd, welke aangifte door de Inspecteur is gevolgd. 3.2. Middel I dat betoogt dat het Hof ten onrechte toepassing van het gelijkheidsbeginsel heeft afgewezen stuit af op de omstandigheid dat belanghebbende blijkens de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding zich slechts heeft beroepen op één vergelijkbaar geval en er dus, nu het geval van belanghebbende moet worden gerekend tot de gevallen waarin de wet juist is toegepast, geen sprake is van een meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen waarin een juiste wetstoepassing is achterwege gebleven. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de Inspecteur gedane toezegging zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende op nakoming van die toezegging redelijkerwijs niet mocht rekenen. Middel II bestrijdt dit oordeel met een betoog dat erop neerkomt dat het voor belanghebbende niet vanzelfsprekend was dat die toezegging in strijd was met een juiste wetstoepassing. Dit betoog stuit af op het in cassatie, wegens zijn feitelijke aard, niet op zijn juistheid te onderzoeken oordeel van het Hof dat belanghebbende in redelijkheid niet heeft kunnen menen dat zijn werkgever hem deelname in een aandelenoptieregeling aanbood.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 28 juni 1995 en in het openbaar uitgesproken