ECLI:NL:HR:1995:AA1639

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29651
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 sub b Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie van vennootschap als beleggingslichaam voor vennootschapsbelasting 1988

X B.V. kreeg voor het jaar 1988 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd op een belastbaar bedrag van ƒ 118.877,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Arnhem werd de aanslag gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat X B.V. fungeerde als een lichaam waarin de overschotten van het concern werden belegd zonder actieve financieringsactiviteiten, en kwalificeerde haar als een beleggingslichaam in de zin van artikel 8 lid 2 sub b van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

X B.V. stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde het feitelijke oordeel van het Hof als niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigde dat de feitelijke werkzaamheid van X B.V. bestond uit het beleggen van vermogen, direct of indirect, en dat dit onder de genoemde wetsbepaling valt.

De Hoge Raad wees tevens verzoeken tot proceskostenveroordeling af en bepaalde dat het door X B.V. gestorte bedrag voor de vervanging van de mondelinge uitspraak door het Hof aan haar wordt terugbetaald. Hiermee bleef de aanslag vennootschapsbelasting voor 1988 ongewijzigd gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting 1988 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 april 1993 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 118.877,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in feite fungeerde als een lichaam waarin de overschotten van het concern neersloegen en waarin die overschotten werden belegd zonder dat sprake was van een actieve financieringsmaatschappij. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht bestreden kan worden.
3.2. Voormeld oordeel brengt, mede gelet op hetgeen het Hof overigens heeft vastgesteld, mee dat belanghebbende is aan te merken als een lichaam welks feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, als bedoeld in artikel 8, lid 2, letter b (tekst 1988), van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De middelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 20 september 1995.