ECLI:NL:HR:1995:AA1646
Hoge Raad
- Cassatie
- Urlings
- Zuurmond
- Herrmann
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep in cassatie tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1984
Belanghebbende kreeg aanvankelijk een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over 1984 met een belastbaar inkomen van ƒ 189.829,--. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 207.229,-- zonder toepassing van een verhoging. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de navorderingsaanslag handhaafde.
Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de bank bij uitgifte van spaarbiljetten wist dat de rente vrijwel direct aan een derde partij moest worden uitbetaald. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk gezien de stukken.
De Hoge Raad verwierp ook de klachten over de door de inspecteur gebruikte bewijsmiddelen, omdat het hof deze niet als basis voor zijn oordeel had genomen. Er waren geen gronden voor een veroordeling in proceskosten. Het beroep werd verworpen en het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 24 juli 1995.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1984 blijft gehandhaafd.