ECLI:NL:HR:1995:AA1655

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juli 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30461
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Wet op belastingen van rechtsverkeerArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing kapitaalsbelasting bij niet-zakelijke rentevergoeding aandeelhouder

X B.V. had een rekening-courantschuld aan haar enig aandeelhouder A, een natuurlijk persoon die niet als ondernemer kwalificeert. Over 1992 bedroeg de schuld ƒ 4.300.001,-- terwijl A genoegen nam met een rentevergoeding van ƒ 30.000,--, waar een zakelijke rente ƒ 356.900,-- zou zijn geweest.

De Inspecteur weigerde teruggaaf van de op aangifte betaalde kapitaalsbelasting van ƒ 3.269,--. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dit besluit, waarbij het oordeelde dat niet aannemelijk was dat een derde als crediteur akkoord zou zijn gegaan met zo’n lage rentevergoeding. Ook deed het feit dat A een natuurlijk persoon was geen afbreuk aan de heffing.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van X B.V. en bevestigt dat het voordeel dat ontstaat doordat een aandeelhouder afziet van een zakelijke rentevergoeding, valt onder artikel 34 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Er zijn geen gronden voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de heffing van kapitaalsbelasting over het rentevoordeel.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 mei 1994 betreffende na te melden voldoening op aangifte van kapitaalsbelasting.
1. Op aangifte voldane belasting, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbende heeft een bedrag van ƒ 3.269,-- aan kapitaalsbelasting op aangifte voldaan. Op het daartegen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur besloten geen teruggaaf te verlenen. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft een rekening-courantschuld aan haar enig aandeelhouder, A, een natuurlijk persoon voor wie de rekening-courantvordering niet tot een ondernemingsvermogen behoort. Deze heeft over 1992, bij de aanvang van welk jaar genoemde schuld ƒ 4.300.001,-- bedroeg, genoegen genomen met een rentevergoeding van ƒ 30.000,--. Tussen partijen is niet in geschil dat een normale rentevergoeding over 1992 ƒ 356.900,-- zou bedragen. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat een derde als crediteur genoegen zou hebben genomen met een rentebedrag dat lager is dan ƒ 356.900,-- en op deze grond belanghebbendes stelling dat A niet als aandeelhouder, maar als crediteur heeft afgezien van het bedingen van een zakelijke rentevergoeding verworpen. Dit oordeel kan, als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het tweede middel van belanghebbende faalt derhalve. 3.3. Het Hof heeft met juistheid en op goede gronden geoordeeld dat de omstandigheid dat A een natuurlijk persoon/niet-ondernemer is niet eraan afdoet, dat het voordeel dat belanghebbende is toegekomen doordat A heeft afgezien van een zakelijke rentevergoeding valt onder het bereik van het bepaalde in artikel 34, aanhef en onderdeel d van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Hieruit volgt dat ook het van een andere opvatting uitgaande middel 1 geen doel treft. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, in raadkamer van 24 juli 1995 en in het openbaar uitgesproken.