Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 10 februari 1993 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de fiscale behandeling van rente die [X] B.V. betaalde aan [I] B.V., een beleggingsinstelling binnen een concernstructuur, in verband met de aankoop van aandelen in [J] B.V. De Inspecteur had de renteaftrek geweigerd omdat hij meende dat de constructie was opgezet om vennootschapsbelasting te ontwijken.
Het hof bevestigde deze weigering en oordeelde dat de renteaftrek strijdig was met doel en strekking van de wet, omdat de schuldverhouding was gecreëerd om belastingheffing te verijdelen zonder wijziging in de gerechtigdheid tot het winstgenererende vermogen. De aandeelhouders wilden via deze structuur een hoger dividend ontvangen zonder belastingheffing.
De Hoge Raad stelde echter dat de renteaftrek niet geweigerd kon worden omdat de winst die [I] B.V. uit de rente behaalde, binnen acht maanden aan de aandeelhouders werd uitgekeerd, aansluitend bij het beleggingsinstellingenregime. Hierdoor was er geen sprake van een met doel en strekking van de wet strijdige belastingontwijking.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en de aanslag van de Inspecteur, verminderde het belastbare bedrag en gaf de Staatssecretaris van Financiën opdracht om de proceskosten aan belanghebbende te vergoeden. De zaak benadrukt de fiscale behandeling van rente in concernverband en de toepassing van het beleggingsinstellingenregime.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en oordeelt dat de renteaftrek door [X] B.V. aan [I] B.V. niet strijdig is met doel en strekking van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.