Belanghebbende, een Nederlandse besloten vennootschap, had aandelen in een andere vennootschap overgenomen door middel van een obligatielening verstrekt door haar Engelse moedervennootschap. De Inspecteur hield bij de vennootschapsbelastingheffing over 1983 geen rekening met deze lening, omdat deze volgens hem was aangegaan om belastingheffing te ontwijken. Het Hof bevestigde dit oordeel, stellende dat de rentelast alleen was bedoeld om de winst van de fiscale eenheid te verminderen zonder effectieve belastingheffing in het Verenigd Koninkrijk.
In cassatie stelde belanghebbende dat de Engelse belastingheffing wel degelijk plaatsvond, mede door verrekening van buitenlandse belasting en advance Corporation Tax, zodat geen sprake was van strijd met de doelstellingen van de Wet op de vennootschapsbelasting. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de Engelse belasting niet als daadwerkelijke heffing kon worden beschouwd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor nadere behandeling, met inachtneming van het arrest en de vraag of de rente daadwerkelijk in het Verenigd Koninkrijk is belast. Tevens werd belanghebbende het griffierecht voor het cassatieberoep vergoed.