ECLI:NL:HR:1995:AA1690

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30809
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 lid 1 onder b Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 47 lid 4 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aftrekbaarheid verzendkosten gebruikte kleding als gift voor belastingjaar 1990

Belanghebbende heeft voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gekregen op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 53.955. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 53.448. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof de vraag of de door belanghebbende gemaakte verzendkosten voor gebruikte kledingpakketten naar zijn zuster in Thailand als aftrekbare giften konden worden beschouwd. Het Hof oordeelde dat deze kosten aftrekbaar waren, omdat zij gelijkgesteld konden worden aan kosten die een erkende instelling voor verzending zou maken en dat belanghebbende bewust afzag van vergoeding.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Tevens wees de Hoge Raad het verzoek om proceskostenveroordeling af en legde een griffierecht op aan de Staatssecretaris. Hiermee bleef de vermindering van de aanslag in stand en werd de aftrek van verzendkosten als gift bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verzendkosten als aftrekbare giften konden worden beschouwd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 oktober 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.955,-- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.448,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar postpakketten verzonden naar zuster A in Thailand. De pakketten bevatten door belanghebbende ingezamelde gebruikte kledingstukken. Belanghebbende heeft de verzendkosten als aftrekbare giften op zijn inkomen in mindering gebracht. 3.2. Het eerste onderdeel van het middel dat is gericht tegen de vaststelling van het Hof dat zuster A een vertegenwoordigster in Thailand is van een hier te lande gevestigde instelling als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) faalt, omdat partijen blijkens rechtsoverweging 3.1 van het Hof dit niet in hun rechtsstrijd voor het Hof hebben willen betrekken en zij op dat punt niet blijk hebben gegeven van een juridisch onjuist uitgangspunt. 3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de door belanghebbende uit vrijgevigheid voor zijn rekening genomen kosten van verzending van de onder 3.1 bedoelde pakketten kunnen worden gerekend tot de aftrekbare giften in de zin van artikel 47, lid 4, van de Wet.
3.4. Bij zijn in 3.3 vermelde oordeel is het Hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat het bij de daar vermelde kosten - die naar hun aard niet verschillen van de kosten die de instelling voor verzending naar Thailand zou hebben gemaakt - gaat om uitgaven welke naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvatting aan belanghebbende zouden behoren te worden vergoed. Voorts is het Hof bij dat oordeel kennelijk ervan uitgegaan dat door belanghebbende bij voorbaat van vergoeding van die kosten is afgezien. Op dit één en ander stuit het middel voor het overige af.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.