ECLI:NL:HR:1995:AA1918

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30844
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenAlgemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 40.039,--. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 41.989,-- en een verhoging van 100%, later deels kwijtgescholden tot 50%. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de verhoging verminderde omdat het opzet ontbrak.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. Het geschil betrof het niet opgegeven bedrag aan rente van ƒ 3.393,-- in de aangifte. Het Hof oordeelde dat belanghebbende kon aannemen dat de Belastingdienst de benodigde informatie via de bank ontving en dat het opzet niet gericht was op het ontduiken van belasting.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en dat de waardering van de bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk was. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. Er werden geen proceskosten aan de Staatssecretaris opgelegd, behalve een griffierecht van ƒ 150,--.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het arrest van het Hof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 1994 betreffende na te melden aan X te Z over het jaar 1990 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 40.039,--. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 41.989,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 50 percent is kwijtgescholden. Belanghebbende is van de navorderingsaanslag en het besluit tot gedeeltelijke kwijtschelding in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de navorderingsaanslag verminderd met de daarin begrepen verhoging.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie aangevoerd.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting een bedrag aan rente ter grootte van ƒ 3.393,-- niet opgegeven. De in verband hiermee door de Inspecteur toegepaste verhoging is, naar het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, uitsluitend gegrond op de aanwezigheid van opzet. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu belanghebbende kon menen dat de belastingdienst over alle noodzakelijke informatie omtrent genoemde rente-inkomsten beschikte omdat deze door de bank aan die dienst werden doorgegeven, het opzet van belanghebbende niet erop was gericht dat te weinig belasting van hem zou worden geheven. Daarbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat uit het in 6.1 van zijn uitspraak overwogene blijkt dat belanghebbende een correcte instelling heeft ten opzichte van zijn belasting verplichtingen en dat hij kan hebben verondersteld dat de eerste rentetermijn pas in het volgende jaar zou vervallen. 3.3. Voormeld oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als berustende op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.