Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 12 augustus 1994 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 43.281,--. Na bezwaar bij de Inspecteur, die de aanslag handhaafde, ging belanghebbende in beroep bij het Hof te 's-Gravenhage. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad met twee middelen. De Hoge Raad oordeelde dat het criterium uit het arrest van 13 januari 1993 alleen van toepassing is bij het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking, hetgeen hier niet het geval was. Het primaire middel faalde daarom.
Het subsidiaire middel, dat betrekking had op een verhuizing in 1991 vanwege een overplaatsing in 1989, werd niet in behandeling genomen omdat dit een feitelijke beoordeling zou vereisen die in cassatie niet mogelijk is.
De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd vastgesteld door de raadsheren Wildeboer, Zuurmond en Herrmann en op 24 juli 1995 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting 1991 blijft gehandhaafd.