ECLI:NL:HR:1995:AA3023
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt loonbelastinggrondslag bij naheffingsaanslag en premies werknemersverzekeringen
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over de jaren 1986 tot en met 1989 vanwege het in dienst hebben van een anonieme schoonmaakster die ƒ125 per maand ontving. De aanslag was gebaseerd op een brutering van het nettoloon inclusief verschuldigde loonbelasting en premies werknemersverzekeringen.
Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de naheffingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie de vraag aan de orde of bij de brutering van het loon rekening moet worden gehouden met niet ingehouden premies voor sociale werknemersverzekeringen en premies volksverzekeringen.
De Hoge Raad bevestigde dat premies werknemersverzekeringen als positieve bestanddelen van het loon moeten worden meegenomen bij de brutering, conform artikel 10 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964. Premies volksverzekeringen daarentegen mogen niet als negatief bestanddeel in mindering worden gebracht bij toepassing van artikel 26a van die wet. De naheffingsaanslag is daarmee correct vastgesteld.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten, conform artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat premies werknemersverzekeringen bij de loonbelastinggrondslag moeten worden betrokken, maar premies volksverzekeringen niet mogen worden afgetrokken.