ECLI:NL:HR:1995:AA3024
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep tegen aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren provincie Groningen 1991
Belanghebbende werd voor het jaar 1991 aangeslagen in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren van de provincie Groningen voor een perceel dat hij verhuurde aan vijf studenten. De aanslag bedroeg ƒ 975,-- en was gebaseerd op 13 vervuilingseenheden, berekend volgens de Verordening zuiveringsbeheer door vermenigvuldiging van het watergebruik met een vaste factor.
Na bezwaar handhaafden Gedeputeerde Staten de aanslag en bevestigde het Gerechtshof te Leeuwarden dit oordeel. Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, stellende dat de aanslag onjuist was vanwege de classificatie van het perceel en het vermeende te hoge waterverbruik door een lekkende stortbak.
De Hoge Raad oordeelde dat het perceel niet als woonruimte kwalificeert volgens de Verordening en dat het aantal vervuilingseenheden terecht was berekend. De klacht over een te hoge vervuilingswaarde bij studentenhuizen faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Ook het argument over het lekwatergebruik faalt omdat deze omstandigheid onvoldoende is om van de berekeningswijze af te wijken.
De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 8 februari 1995 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren voor 1991 wordt bevestigd.