ECLI:NL:HR:1995:AA3058
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over omzetbelasting bij tennislessen zonder verhuur baan
Belanghebbende, een zelfstandig tennisleraar die banen huurde op een tennispark, bracht aan zijn leerlingen kosten in rekening die onder meer waren aangeduid als 'baanhuur'. Over de periode 1988 tot en met 1990 werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, welke na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat de leraar de plaats van de lessen bepaalde en dat de leerlingen geen recht hadden op het gebruik van een specifieke tennisbaan, zodat de bedragen niet konden worden aangemerkt als vrijgestelde verhuur van onroerend goed.
Belanghebbende stelde in cassatie dat er sprake was van een onjuiste rechtsopvatting en dat er vertrouwen was gewekt door boekenonderzoek over eerdere jaren, alsmede dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en dat de feitelijke waarderingen niet in cassatie konden worden getoetst. Daarnaast werd geoordeeld dat de nieuwe stellingen niet eerder aan het Hof waren voorgelegd en feitelijk onderzoek zouden vereisen, wat in cassatie niet mogelijk is.
De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 22 februari 1995 uitgesproken door de raadsheren Van der Linde, Bellaart en Van der Putt-Lauwers.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel dat de aan leerlingen in rekening gebrachte bedragen niet vrijgesteld zijn als verhuur van onroerend goed.