ECLI:NL:HR:1995:AA3140
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling binnenlandse schulden bij vermogensbelasting en hypotheek op Nederlands onroerend goed
Belanghebbende, een buitenlands belastingplichtige, was eigenaar van juridische eigendom en erfpachtrechten op in Nederland gelegen onroerende zaken, terwijl de economische eigendom bij anderen lag. Zij had een hypotheek verstrekt als zekerheid voor verplichtingen voortvloeiend uit de economische eigendomsoverdracht.
De kern van het geschil betrof de vraag of deze door hypotheek verzekerde verplichtingen konden worden aangemerkt als binnenlandse schulden in de zin van artikel 13, lid 2, letter b, van de Wet op de vermogensbelasting 1964. Het Hof had dit ontkennend beantwoord omdat de renten en kosten van deze schulden niet in aanmerking kwamen bij de bepaling van het binnenlandse onzuivere inkomen.
Belanghebbende stelde dat de wetsbepaling zo moest worden uitgelegd dat schulden verzekerd door hypotheek op Nederlands onroerend goed binnenlandse schulden zijn, tenzij het ging om geldschulden waarvan de renten en kosten niet in aanmerking komen. De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde dat alleen schulden waarvan de renten en kosten meetellen bij het binnenlandse onzuivere inkomen als binnenlandse schulden gelden.
De Hoge Raad wees ook op de wetsgeschiedenis en benadrukte dat de huidige tekst van artikel 13, lid 2, van de Wet de uitleg bepaalt. Het beroep in cassatie werd verworpen en er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de aanslag vermogensbelasting blijft gehandhaafd.