Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's Hertogenboschvan 22 augustus 1994 betreffende de aan
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende, directeur en aandeelhouder van een B.V., sloot in 1986 een lijfrente-overeenkomst waarbij de koopsom niet tijdig werd voldaan maar in rekening courant bleef staan. De Inspecteur weigerde de aftrek van deze koopsom bij de aanslag inkomstenbelasting 1986. Na bezwaar en beroep vernietigde het Hof de aanslag en matigde het belastbaar inkomen.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de uitleg van de Resolutie van 4 november 1986 en de vraag of aftrek alsnog kon worden verleend indien de premies later werden doorgestort naar een professionele verzekeraar.
De Hoge Raad oordeelde dat de termijn 'op zo kort mogelijke termijn' in de Resolutie moet worden begrepen als kort na het definitieve standpunt van de Inspecteur. Omdat het verzoek tot aftrek pas ruim na het definitieve standpunt werd gedaan, was de termijnoverschrijding onherroepelijk. Tevens ontbraken feiten die het nalaten van tijdige storting aan de Inspecteur konden toerekenen.
Daarom werd het middel gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de weigering van aftrek van de lijfrentepremie wegens niet tijdige doorstorting.