ECLI:NL:HR:1995:AA3170
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing wetsontduiking bij verkoop aanmerkelijk belang aandelen
Belanghebbende, die alle aandelen hield in een vennootschap B, verkocht deze aandelen in 1985. Eerder waren activa en passiva van B overgedragen aan een dochtermaatschappij A, en de aandelen van A waren vervolgens aan een andere dochtermaatschappij C overgedragen. De Inspecteur kwalificeerde het voordeel uit de verkoop als inkomsten uit vermogen wegens toepassing van het leerstuk der wetsontduiking, terwijl belanghebbende dit aanmerkte als winst uit aanmerkelijk belang.
Het hof oordeelde dat sprake was van een samenstel van rechtshandelingen met als doel belastingheffing te verijdelen en handhaafde de kwalificatie van de Inspecteur. De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of en in hoeverre belanghebbende zijn belang bij de vordering in rekening-courant heeft behouden, hetgeen relevant is voor de toepassing van de wetsontduiking.
De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor nader onderzoek naar de waarde van het behouden belang en de waarde-aangroei van de aandelen. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het leerstuk der wetsontduiking bij verkoop van aandelen waarbij sprake is van overdracht van vermogensbestanddelen en het behoud van belang bij die vermogensbestanddelen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar het behoud van belang en de waarde-aangroei.