Uitspraak
24 februari 1995.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de curator en de betrokken banken onrechtmatig jegens de ontvanger der directe belastingen hadden gehandeld door het samenstel van overeenkomsten waardoor het bodembeslag van de ontvanger verviel en de curator de goederen kon verkopen en de opbrengst gebruiken voor aflossing van een boedelkrediet.
De Hoge Raad bevestigde dat de curator niet onverplicht heeft gehandeld binnen zijn taak en bevoegdheid op grond van de Faillissementswet en dat de banken verplicht waren mee te werken aan aflossing van hun vorderingen. Tevens is overwogen dat een individuele schuldeiser niet via art. 1377 BW Pro tegen curatorshandelingen kan optreden, en dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad niet kan worden gebaseerd op deze handelingen.
Het hof had geoordeeld dat onvoldoende was gesteld voor onrechtmatig handelen van de curator en de betrokken partijen, en dat de curator bij zijn beleidskeuze ook maatschappelijke belangen zoals continuïteit van de onderneming en werkgelegenheid heeft meegewogen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dit oordeel, waarbij ook werd gewezen op de ruime beleidsvrijheid van de curator.
De ontvanger werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest bevestigt de grenzen van aansprakelijkheid van de curator en derden bij faillissementsrechtelijke handelingen en benadrukt het belang van maatschappelijke belangen in de beleidsafweging van de curator.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de curator en betrokken banken niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens de ontvanger.