Uitspraak
24 maart 1995.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag welke levering bij voorbaat prevaleert na het faillissement van Hollander's Kuikenbroederij: de levering van toekomstig pluimvee aan de bank of het eigendomsvoorbehoud van voeder- en broedeierenleveranciers. De bank had op grond van een akte uit 1978 eigendom van bestaand en toekomstig pluimvee verkregen, terwijl leveranciers zich eigendom van de eieren hadden voorbehouden.
De Hoge Raad oordeelde dat de levering bij voorbaat van toekomstig pluimvee aan de bank prevaleert, ook als de failliet verklaarde onderneming haar wil zou hebben gewijzigd om de hennen voor de leveranciers te houden. Dit omdat geen overeenkomst bestond die de vrijheid gaf om zich eenzijdig aan de verplichting te onttrekken om het pluimvee voor de bank te houden.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat kuikens die uit eieren worden uitgebroed, nieuwe zaken zijn met een eigen identiteit en niet als natuurlijke vruchten van de kippen worden beschouwd. De kuikenbroederij werd daardoor eigenaar van de kuikens. Ook werd geoordeeld dat de voederleveranciers geen voorrecht toekomt voor hun vorderingen tot betaling van voer, omdat dit niet valt onder kosten tot behoud van een zaak.
Het beroep van de Stichting werd verworpen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Stichting werd verworpen; levering bij voorbaat aan de bank prevaleert en kuikens zijn nieuwe zaken, geen vruchten van de kippen.