Uitspraak
8 december 1995.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en een bedrijfsvereniging over de intrekking van een eerdere beslissing inzake arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De werknemer was sinds 1973 in dienst en werd vanaf 1975 arbeidsongeschikt verklaard met een bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid. In 1985 trok de bedrijfsvereniging een eerdere toekenning van AAW en WAO-uitkeringen in, waarna de werknemer bezwaar maakte dat niet ontvankelijk werd verklaard.
In 1990 trok de bedrijfsvereniging deze intrekkingsbeslissing weer in, met de toelichting dat de eerdere beslissing onjuist was. De werknemer vorderde vervolgens aanvullende betaling wegens fiscale schade die hij leed door de belastingheffing over het achteraf betaalde bedrag. De bedrijfsvereniging voerde verweer dat de formele rechtskracht van de intrekkingsbeslissing de civiele rechter zou binden en dat alleen wettelijke rente verschuldigd zou zijn.
De Hoge Raad verwierp deze verweren. De intrekking van de beslissing betekent dat de formele rechtskracht ervan vervalt en dat de civiele rechter de onjuistheid van de beslissing als uitgangspunt moet nemen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat fiscale schade niet valt onder de wettelijke rentevergoeding voor vertraging in betaling van een geldsom. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de bedrijfsvereniging in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat fiscale schade als gevolg van een ingetrokken onjuiste beslissing vergoed kan worden.