Uitspraak
[woonplaats].
24 oktober 1995.
Hoge Raad
De verdachte was door de Politierechter veroordeeld tot onbetaalde arbeid als vervanging van een gevangenisstraf. De Officier van Justitie diende een vordering in op grond van art. 22g Sr om alsnog de gevangenisstraf op te leggen wegens niet-naleving van de onbetaalde arbeid. De Politierechter wees deze vordering af, waarna de OvJ hoger beroep instelde. Het Hof Arnhem verving de onbetaalde arbeid door een gevangenisstraf en legde deze ten uitvoer.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de wetsartikelen 14h-14j Sr en 22g, 22h Sr de vordering tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving van bijzondere voorwaarden niet kan worden behandeld in samenhang met een nieuwe strafzaak. Beslissingen op dergelijke vorderingen zijn niet aan rechtsmiddelen onderworpen. Daarom stond geen hoger beroep open tegen de beslissing van de Politierechter tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
De Hoge Raad verklaarde de OvJ niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat gericht was tegen die beslissing en vernietigde het arrest van het Hof voor zover de gevangenisstraf in de plaats van onbetaalde arbeid werd opgelegd. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging en vernietigt het arrest van het Hof voor zover gevangenisstraf werd opgelegd in plaats van onbetaalde arbeid.