ECLI:NL:HR:1996:AA1501

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31521
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 1 lid 1 Besluit proceskosten fiscale proceduresArt. 2 lid 1 Besluit proceskosten fiscale proceduresArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten fiscale procedures
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperkte proceskostenvergoeding bij intrekking beroepschrift belastingaanslag

Belanghebbende had een beroepschrift ingediend tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993, maar dit beroepschrift later ingetrokken. Vervolgens verzocht hij het hof om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten die verband houden met de behandeling van het beroep. Het hof kende een vergoeding van 710 gulden toe op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en het Besluit proceskosten fiscale procedures.

Belanghebbende stelde in cassatie dat gezien de lichtvaardige afwijzing van het bezwaarschrift en de latere gegrondverklaring daarvan een hogere vergoeding op zijn plaats was. Het hof oordeelde echter dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een hogere vergoeding rechtvaardigden en wees het verzoek af. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de waardering van feitelijke aard niet in cassatie kan worden getoetst.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en zag geen grond voor een proceskostenveroordeling aan de zijde van de Staat. Het arrest werd op 4 september 1996 uitgesproken door de raadsheren Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof-oordeel dat geen hogere proceskostenvergoeding wordt toegekend, blijft in stand.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 17 augustus 1995 betreffende een verzoek tot een veroordeling in de proceskosten ingevolge artikel 5a, lid 1, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
1. Geding voor het Hof Bij de intrekking van een beroepschrift betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 is op 11 juli 1995 een verzoek gedaan om de Inspecteur te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof. Het Hof heeft de Staat veroordeeld aan belanghebbende f 710,-- aan proceskosten te vergoeden.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dat stuk kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt dit stuk in te dienen.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat, gelet op het lichtvaardig afwijzen van het bezwaarschrift en het, na het indienen van het beroepschrift, zonder blikken of blozen mededelen dat het bezwaarschrift alsnog gegrond dient te worden verklaard, een hogere kostenveroordeling in de rede ligt dan het op grond van het bepaalde in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken jo. de artikelen 1, lid 1, aanhef en let ter a, en 2, lid 1, aanhef en letter a, van het Be sluit proceskosten fiscale procedures (hierna: het Besluit) te vergoeden bedrag van f 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat onvoldoende aanleiding bestaat met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit een hoger bedrag dan f 710,-- toe te wijzen. Hierin ligt besloten het oordeel dat zich te dezen niet heeft voorgedaan een bijzondere omstandigheid als bedoeld in laatstgenoemd artikellid. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in dat artikellid en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden ge toetst; het is ook niet onbegrijpelijk. Het middel, dat zich tegen dat oordeel keert, kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 4 september 1996 vastgesteld door de raadsheer Bellaart als voorzitter, en de raadsheren Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken