ECLI:NL:HR:1996:AA1501
Hoge Raad
- Cassatie
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperkte proceskostenvergoeding bij intrekking beroepschrift belastingaanslag
Belanghebbende had een beroepschrift ingediend tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993, maar dit beroepschrift later ingetrokken. Vervolgens verzocht hij het hof om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten die verband houden met de behandeling van het beroep. Het hof kende een vergoeding van 710 gulden toe op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en het Besluit proceskosten fiscale procedures.
Belanghebbende stelde in cassatie dat gezien de lichtvaardige afwijzing van het bezwaarschrift en de latere gegrondverklaring daarvan een hogere vergoeding op zijn plaats was. Het hof oordeelde echter dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een hogere vergoeding rechtvaardigden en wees het verzoek af. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de waardering van feitelijke aard niet in cassatie kan worden getoetst.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en zag geen grond voor een proceskostenveroordeling aan de zijde van de Staat. Het arrest werd op 4 september 1996 uitgesproken door de raadsheren Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof-oordeel dat geen hogere proceskostenvergoeding wordt toegekend, blijft in stand.