ECLI:NL:HR:1996:AA1728
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Urlings
- C.H.M. Jansen
- Fleers
- Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingaanslag na bezwaar en beroep inzake inkomstenbelasting 1989
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1989 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 127.063, waarvan ƒ 99.006 belast werd volgens artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde. Vervolgens stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad met een middel gericht tegen deze bevestiging.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel niet slaagt. De goedkeuring van de Staatssecretaris dat het voordeel bedoeld in artikel 42, lid 3, Wet IB 1964 in de jaren 1985-1988 niet leidde tot inhouding van loonbelasting of een verplichte aanslag, betekent niet dat dit voordeel buiten beschouwing kan blijven bij de berekening van het gemiddelde jaarinkomen volgens artikel 57, lid 2.
De Hoge Raad wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest is op 25 september 1996 in het openbaar uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Stoffer.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting 1989 blijft bevestigd.