ECLI:NL:HR:1996:AA1735

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31343
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek internaatskosten in inkomstenbelasting 1990

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 220.973,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd, waarbij de aftrek van internaatskosten voor zijn dochter niet werd geaccepteerd.

De dochter verbleef sinds 1989 op medisch advies in een schoolinternaat zonder medische behandeling, waar ook gezonde kinderen onderwijs kregen. Voor 1987-1989 werden de internaatskosten wel als buitengewone lasten geaccepteerd, maar voor 1990 niet. Belanghebbende stelde dat hij erop mocht vertrouwen dat de Inspecteur deze kosten ook in 1990 zou accepteren.

Het Hof verwierp dit vertrouwen omdat er geen bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur was geweest. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, oordeelde dat het niet onbegrijpelijk was en wees het cassatieberoep af. Er werden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen voor 1990 blijft gehandhaafd zonder aftrek van internaatskosten.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 mei 1995 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 220.973,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. In augustus 1989 is de in 1976 geboren tot belanghebbendes gezin behorende dochter A op medisch advies in een schoolinternaat geplaatst; zij verbleef daar ook in het onderhavige jaar 1990. De in het internaat geboden verzorging omvatte geen medische behandeling; er verblijven gezonde kinderen die gewoon onderwijs volgen. Aan belanghebbende is voor het verblijf niet meer in rekening gebracht dan aan de ouders van andere kinderen. 3.1.2. Belanghebbende oefent in maatschapsverband met zijn echtgenote en 3 anderen het beroep van fysiotherapeut uit. In maart 1991 is bij de maatschap een boekenonderzoek gehouden met betrekking tot de jaren 1987 tot en met 1989. Door de controlerend ambtenaar gevraagd naar een toelichting op de als buitengewone lasten opgevoerde internaatskosten heeft belanghebbende bij die gelegenheid geantwoord dat A op medische indicatie op het internaat verbleef. De controlerend ambtenaar heeft daarop ter zake geen nader onderzoek ingesteld of opmerkingen gemaakt, ook niet in het vervolg van het onderzoek. 3.1.3. Anders dan voor het jaar 1989 heeft de Inspecteur de internaatskosten voor 1990 niet in aftrek aanvaard. 3.2. Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende, dat hij erop mocht vertrouwen dat de Inspecteur de internaatskosten ook voor 1990 in aftrek zou aanvaarden, verworpen op grond van zijn oordeel dat belanghebbende niet de indruk kan hebben verkregen dat met betrekking tot de toelaatbaarheid van het in aftrek brengen van die kosten sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling aan de zijde van de Inspecteur. 3.3. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 25 september 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.