ECLI:NL:HR:1996:AA1748

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
294
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a Beschikking Staatssecretaris Sociale Zaken 3 september 1954Art. 4 Coördinatiewet Sociale VerzekeringenArt. 8 Coördinatiewet Sociale VerzekeringenArt. 18a Coördinatiewet Sociale VerzekeringenArt. 18c Coördinatiewet Sociale Verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat rentevoordeel werknemers geen voordeel van werkgever verstrekte geldlening is

X B.V. kreeg door het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen premies opgelegd over de jaren 1986-1988, gebaseerd op de Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Ziektewet en Ziekenfondswet. X B.V. stelde beroep in bij de Arrondissementsrechtbank Amsterdam, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, die de uitspraak bevestigde.

X B.V. stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van de Centrale Raad dat het rentevoordeel dat werknemers genieten door een regeling waarbij de werkgever het renteverschil betaalt, niet kan worden aangemerkt als een voordeel van een door de werkgever verstrekte geldlening in de zin van artikel 3a van de Staatssecretarisbeschikking van 1954. De Hoge Raad oordeelde dat de Centrale Raad terecht heeft geoordeeld dat geldleningen verstrekt door derden, waar deze regeling op ziet, niet als door de werkgever verstrekte geldleningen kunnen worden beschouwd.

Daarnaast wees de Hoge Raad de subsidiaire klachten af omdat deze niet zien op schending van bepalingen van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen waartegen cassatie mogelijk is. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verwierp het beroep in cassatie. Het arrest werd vastgesteld op 30 oktober 1996.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het rentevoordeel geen voordeel is van een door de werkgever verstrekte geldlening.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 juni 1995 betreffende een beslissing van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen te Amsterdam tot vaststelling van premies over de jaren 1986 tot en met 1988 ingevolge de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet en de Ziekenfondswet.
1. Beslissing van het bestuur van de Bedrijfsvereniging en geding voor de Arrondissementsrechtbank Bij beslissing, gedagtekend 29 oktober 1992, heeft het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen (hierna: het Bestuur) ten laste van X B.V. (hierna: eiseres) over de jaren 1986, 1987 en 1988 premies vastgesteld ingevolge bovengenoemde wetten ten bedrage van ƒ 47.557,--. Tegen die beslissing heeft eiseres beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 1 maart 1994 het beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard. 2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep Eiseres heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.
3. Geding in cassatie Eiseres heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Bestuur heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
4. Beoordeling van de klachten 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Werknemers van eiseres hebben de mogelijkheid bij twee kredietinstellingen met korting hypothecaire leningen af te sluiten, in die zin dat bij een normaliter verschuldigde hypotheekrente van x % de werknemers (x-2)% rente aan de hypotheeknemer betalen en de werkgever, eiseres, de resterende 2% rente. Aan werknemers die geen gebruik kunnen maken van deze regeling, bijvoorbeeld omdat zij een hypothecaire lening bij een andere kredietinstelling dan de twee bovenbedoelde hebben gesloten, wordt een vergoeding verstrekt gelijk aan 2% hypotheekrente. 4.2. De primaire klacht van eiseres keert zich tegen het oordeel van de Centrale Raad dat het rentevoordeel, dat werknemers van eiseres genieten ingeval deze op grond van de onder 4.1 omschreven regeling 2% hypotheekrente aan een hypotheeknemer betaalt, niet kan worden aangemerkt als een voordeel dat de werknemer heeft van een aan hem vanwege zijn werkgever verstrekte geldlening in de zin van artikel 3a van de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 3 september 1954, nr. 5224, zoals gewijzigd per 17 augustus 1987. De klacht faalt echter. De Centrale Raad heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat door derden verstrekte geldleningen ten aanzien waarvan de onder 4.1 omschreven regeling toepassing vindt, niet kunnen worden aangemerkt als "vanwege zijn werkgever verstrekte geldleningen" in de zin van artikel 3a van voornoemde beschikking. 4.3. Ingevolge artikel 18c van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (hierna: de Wet) kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 8 van de Wet. De subsidiaire en meer subsidiaire klacht richten zich tegen oordelen die niet het bepaalde bij of krachtens voornoemde artikelen 4 tot en met 8 van de Wet betreffen, zodat tegen deze oordelen geen beroep in cassatie openstaat. Derhalve falen ook deze klachten.
5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 30 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.