ECLI:NL:HR:1996:AA1750
Hoge Raad
- Cassatie
- Urlings
- Zuurmond
- Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt terbeschikkingstelling renteopbrengsten aan belastingplichtige ondanks overdracht aan zoon
Belanghebbende werd voor het jaar 1993 aangeslagen voor inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over een belastbaar inkomen van ƒ 169.487,--. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de renteopbrengsten van een depositorekening niet aan hem, maar aan zijn zoon toekwamen, op grond van een overeenkomst uit 1991 waarbij de inkomsten voor drie jaar aan zijn zoon waren overgedragen.
Het Hof verwierp dit standpunt omdat uit niets bleek dat sprake was van vruchtgebruik door de zoon en oordeelde dat de renteopbrengsten, voordat zij aan de zoon vloeiden, ter beschikking stonden van belanghebbende zoals bedoeld in artikel 33, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij het eerste middel dat stelde dat sprake was van een persoonlijk recht van vruchtgebruik faalde wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en stelde het arrest op 11 december 1996 vast, waarmee de aanslag definitief werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de renteopbrengsten ter beschikking stonden van belanghebbende voor de belastingheffing.