ECLI:NL:HR:1996:AA1782
Hoge Raad
- Cassatie
- Stoffer
- Urlings
- Fleers
- Pos
- Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Vaststelling heffingsgrondslag onroerendgoedbelasting en uitleg gemeentelijke verordening
Belanghebbende kreeg voor 1991 aanslagen onroerendgoedbelasting opgelegd voor meerdere objecten, waaronder drie die samen de A vormden en een afzonderlijk object c-straat 1. Na bezwaar en beroep vernietigde het hof de aanslagen voor de A-objecten en verminderde de aanslag voor c-straat 1. Burgemeester en Wethouders van Castricum stelden cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de uitleg van de Verordening onroerendgoedbelastingen 1990, met name of de drie objecten samen één onroerend goed vormen als een samenstel (artikel 2 lid 1 sub Pro d) of als een gebouwd eigendom met aanhorigheden (artikel 2 lid 1 sub Pro a). De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat het om een samenstel ging en dat een ander oordeel feitelijke beoordeling vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is.
Daarnaast ging het om de toepassing van artikel 4 lid 2 van Pro de Verordening, waarin werd geoordeeld dat de waarde van het object c-straat 1 voor 1991 moest worden vastgesteld alsof de in 1992 uitgevoerde sloop al had plaatsgevonden. De Hoge Raad stelde dat dit niet is toegestaan volgens artikel 273 lid 6 van Pro de Gemeentewet, omdat de heffingsgrondslag moet worden vastgesteld naar de toestand bij het begin van het belastingjaar of maximaal vijf jaar eerder.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof, behalve de beslissingen over griffierecht en proceskosten, en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling met inachtneming van deze uitleg. De gemeente Castricum werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van de juiste uitleg van de gemeentelijke verordening.