ECLI:NL:HR:1996:AA1788

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30220
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Urlings
  • Zuurmond
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over naheffingsaanslag loonbelasting 1985-1987

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over de periode 1 januari 1985 tot en met 31 augustus 1987, met een bedrag van ƒ 273.825 aan enkelvoudige belasting en eenzelfde bedrag aan verhoging. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag en weigerde kwijtschelding van de verhoging. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de aanslag verminderd en de verhoging geheel vernietigd heeft.

Beide partijen stelden beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het middel van belanghebbende niet tot cassatie kan leiden. Het middel van de Staatssecretaris is gegrond omdat het hof ten onrechte de aanslag voor 1985 heeft verminderd, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de enkelvoudige belasting betreft en bevestigt de aanslag van de Inspecteur. De proceskosten worden niet aan een van de partijen opgelegd. Het arrest is op 19 juni 1996 door de raadsheren uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor de enkelvoudige belasting en bevestigt de aanslag van de Inspecteur.

Uitspraak

gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z (Frankrijk) en van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 maart 1994 betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1985 tot en met 31 augustus 1987 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 273.825,-- aan enkelvoudige belasting en een zelfde bedrag aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen de uitspraak en het kwijtscheldingsbesluit van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd met een bedrag van ƒ 39.552,-- aan enkelvoudige belasting en met de gehele verhoging van ƒ 273.825,--.
2. Geding in cassatie Ieder van partijen heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Partijen hebben over en weer het beroep bij vertoogschrift bestreden.
3. Beoordeling van het middel van belanghebbende Het door belanghebbende voorgestelde middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het middel van de Staatssecretaris 4.1. Het middel van de Staatssecretaris, dat zich keert tegen het in rechtsoverweging 6.2.6 van 's Hofs uitspraak vervatte oordeel dat ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 9 december 1987, nr. 24 090, BNB 1988/73, de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting dient te worden verminderd met het daarin voor 1985 begrepen bedrag, is gegrond (HR 28 februari 1996, nr. 30 179, BNB 1996/192, rechtsoverweging 3.8). 4.2. 's Hofs uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen, aangezien de vraag of over 1985 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting mogelijk was, gelet op hetgeen het Hof in zijn uitspraak onder 2.3 omtrent het door de FIOD gesteunde onderzoek en voorts onder 6.2.7 heeft overwogen, niet anders dan bevestigend kan worden beantwoord. De verschuldigde enkelvoudige belasting dient te worden gesteld op ƒ 273.825,--.
5. Proceskosten De Hoge Raad acht met betrekking tot beide beroepen in cassatie geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep van belanghebbende, vernietigt op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze de enkelvoudige belasting betreft en bevestigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze ziet op de enkelvoudige belasting.
Dit arrest is vastgesteld op 19 juni 1996 door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.