ECLI:NL:HR:1996:AA1793

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juli 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29825
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep inkomstenbelasting 1982 wegens ontbreken bezwaarschrift

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1982 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 1.000.000,--. Deze aanslag werd gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende kwam hiertegen in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat geen bezwaarschrift was ingediend.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad en voerde meerdere middelen aan. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof over het ontbreken van het bezwaarschrift berust op een waardering van bewijsmiddelen die in cassatie niet kan worden aangetast. Ook was de beslissing van de Inspecteur niet aan te merken als een voor beroep vatbare uitspraak volgens artikel 26, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Het bewijsaanbod van belanghebbende werd door het Hof terecht als niet ter zake dienend afgewezen. De Hoge Raad zag geen aanleiding om de proceskosten aan belanghebbende op te leggen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef het oordeel van het Hof in stand dat het beroep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een bezwaarschrift.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een bezwaarschrift.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Spanje) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juni 1993 betreffende de hem voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.000.000,--, welke aanslag bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende niet ontvankelijk verklaard.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft zijn zaak doen toelichten door mr P.J. Trijzelaar, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende tegen de onderhavige aanslag geen bezwaarschrift heeft ingediend. Dit oordeel kan als berustende op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het is ook niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt middel I. 3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de door de Inspecteur genomen beslissing d.d. 1 november 1991 niet kan worden aangemerkt als een voor beroep vatbare uitspraak in de zin van artikel 26, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het beroep niet ontvankelijk verklaard. Dit oordeel en deze beslissing zijn juist. Middel I faalt derhalve ook voor het overige. 3.3. Middel II faalt evenzeer. Het Hof heeft op de daarvoor in 5.4 van de uitspraak vermelde grond het door belanghebbende gedane bewijsaanbod dat door het Hof als niet ter zake dienende is aangemerkt, mogen passeren.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, in raadkamer van 19 juli 1996.