ECLI:NL:HR:1996:AA1802

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30251
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Wildeboer
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 277 Gemeentewet (oud)Art. 2 lid 2 letter c Verordening rioolrechten Amsterdam 1990Art. 3 Verordening rioolrechten Amsterdam 1990Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van aanslagen aansluitrecht riolering gemeente Amsterdam voor zes objecten

Belanghebbende, zakelijk gerechtigde van zes aan de gemeentelijke riolering aangesloten objecten in Amsterdam, werd voor het jaar 1990 aangeslagen voor het aansluitrecht riolering, waarbij per object een vast bedrag werd geheven. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd.

In cassatie betoogde belanghebbende dat de heffing per object onredelijk en willekeurig was, omdat drie objecten aan een straat één aansluitpunt hadden en drie aan een andere straat ook één aansluitpunt. Het Hof oordeelde dat heffing per onroerende zaak en per gedeelte dat als afzonderlijk geheel wordt gebruikt, niet willekeurig is.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het aansluitrecht een retributie is voor het gebruik van gemeentelijke riolering die de gebruikswaarde van elk afzonderlijk gedeelte verhoogt. Differentiatie in tarief is toegestaan naar het voordeel, maar het ontbreken daarvan leidt niet automatisch tot willekeur. Ook wordt bevestigd dat de retributie ziet op het gebruik door de zakelijk gerechtigde en niet op het gebruik door de gemeente zelf.

De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie en wijst een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslagen aansluitrecht riolering voor zes objecten.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 april 1994 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslagen in het aansluitrecht riolering van de gemeente Amsterdam.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1990 als zakelijk gerechtigde tot een zestal op de gemeentelijke riolering aangesloten objecten op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in het aansluitrecht riolering van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van f 52,-- per object, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur der Gemeentebelastingen zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is genothebbende krachtens zakelijk recht van de objecten a-straat 1, 2 en 3 en de b-straat 1, 2 en 3. Zowel bij de drie objecten aan de a-straat als bij die aan de b-straat is sprake van gedeelten van een gebouwd eigendom als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter c, Verordening rioolrechten Amsterdam 1990 (hierna: de Verordening). Er is één aansluitpunt op de gemeentelijke riolering voor de drie objecten aan de a-straat en één aansluitpunt voor de drie objecten aan de b-straat. Belanghebbende is voor zesmaal het per object geldende aansluitrecht in de heffing betrokken. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de heffing van een aansluitrecht naar een vast bedrag per onroerende zaak en de heffing van datzelfde vaste bedrag per gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, niet als willekeurig kunnen worden aangemerkt. Tegen deze oordelen keren zich de klachten onder 1 en 2, evenwel tevergeefs. 3.3. Bij het rioolaansluitrecht gaat het om het in de heffing betrekken van het genot dat de zakelijk gerechtigde tot een onroerende zaak ontleent aan de aanwezigheid van een aansluiting op de gemeentelijke riolering doordat die aansluiting de gebruikswaarde van de onroerende zaak verhoogt. Het strookt met het karakter van een dergelijke retributie te heffen naar een vast bedrag per onroerende zaak. Dat karakter laat voorts uitsluitend een differentiatie in het tarief toe naar de grootte van het voordeel gelegen in de vergroting van de gebruiksmogelijkheden van de onroerende zaken als gevolg van de aansluiting op de gemeentelijke riolering (HR 1 februari 1984, nr. 22.243, BNB 1984/129). Het enkele feit dat differentiatie binnen nauwe grenzen toelaatbaar is, heeft evenwel niet tot gevolg dat het achterwege laten van differentiatie reeds op die grond tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing leidt. Het strookt eveneens met het karakter van een dergelijke retributie om onder object dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering in de zin van artikel 3 van Pro de Verordening mede te verstaan elk gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, nu ten aanzien van elk zodanig gedeelte geldt dat de gebruikswaarde ervan wordt verhoogd door de aanwezigheid van een aansluiting als voormeld. 3.4. Naar luid van artikel 277, lid 1, letter b onder 1 (oud) van de gemeentewet gaat het bij de daar bedoelde gemeentelijke belastingen, waaronder het rioolaansluitrecht, om retributies voor het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn. Tot zodanige gemeentebezittingen behoren de aan de gemeente toebehorende ongebouwde eigendommen als straten, parken e.d. Aangenomen moet worden dat die retributies niet zien op het gebruik dat de gemeente zelf maakt van zodanige gemeentebezittingen. Hierop stuiten de klachten onder 3 af. Daarmede ontvalt ook de grondslag aan de klachten onder 4.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 april 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.