Belanghebbende, een naamloze vennootschap, had in 1985 een deelneming van 41% in een andere vennootschap en verkocht medio 1985 een deel van deze aandelen, waarbij aan kopers een put warrant werd verleend met een garantie van belanghebbende aan een stichting. De waarde van deze garantieverplichting bedroeg ten tijde van verkoop ƒ 1,65 per aandeel. Belanghebbende stelde dat de opbrengst van de aandelenverkoop moest worden berekend als de verkoopprijs minus de nominale waarde, zonder zelfstandige waarde toe te kennen aan de put warrant. De Inspecteur stelde echter dat de waarde van de garantieverplichting niet als voordeel uit hoofde van de deelneming kon worden aangemerkt.
Het Hof oordeelde dat de opbrengst van de deelneming moet worden bepaald inclusief de geschatte waarde van de garantieverplichting ten tijde van de verkoop, en dat waardeveranderingen na de verkoop niet tot voordelen uit hoofde van de deelneming behoren. Het Hof stelde de vrijgestelde deelnemingswinst vast op ƒ 27,35 per aandeel, rekening houdend met de waarde van de verplichting op het moment van verkoop.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van belanghebbende en bevestigde het oordeel van het Hof. De Hoge Raad stelde dat het Hof op goede gronden heeft geoordeeld dat de waardeveranderingen van de garantieverplichting na de verkoop niet als voordelen uit hoofde van de deelneming kunnen worden aangemerkt en dat de opbrengst dient te worden vastgesteld inclusief de geschatte waarde van de verplichting ten tijde van de verkoop.