Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen dat mede was vastgesteld met toepassing van artikel 25a Wet IB 1964, dat fictieve inkomsten uit vermogen regelt. De erfgenamen van belanghebbende maakten bezwaar tegen deze aanslag, waarna het Hof de aanslag verminderde.
De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen die uitspraak. De kernvraag was of artikel 25a Wet IB 1964 ook van toepassing is op zogenaamde ex-warrantleningen, waarbij obligaties zonder de bijbehorende warrants zijn gekocht.
De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende alleen de obligaties had gekocht en niet de warrants, die al aan een ander toekwamen. Volgens de letter van artikel 25a is het vereist dat gelijktijdig de belastingplichtige een recht heeft en een ander recht heeft op voordelen uit dat recht. Dit was hier niet het geval, zodat het artikel niet van toepassing is.
Hoewel de Staatssecretaris en sommige Kamerleden de bedoeling hadden ex-warrantleningen onder artikel 25a te brengen, oordeelde de Hoge Raad dat de wettekst dit niet toelaat en dat de wetgever bewust heeft afgezien van een ruimere tekst. Ook de mogelijke ingrijpende fiscale gevolgen van een ruime uitleg speelden een rol.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.