ECLI:NL:HR:1996:AA1834

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
276
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 8:81 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 18c Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 21 lid 1 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen uitspraak Centrale Raad van Beroep over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

X heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de President van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 1994, betreffende een beslissing over toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wettelijke regelingen, waaronder de Algemene wet bestuursrecht, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Beroepswet.

Uit de wettelijke bepalingen volgt dat beroep in cassatie openstaat tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en diens President, mits het beroep is gericht op schending of verkeerde toepassing van specifieke wettelijke artikelen. In dit geval is het cassatieberoep niet ingesteld ter zake van schending van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van X niet-ontvankelijk. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat geen veroordeling in proceskosten passend is. Het betaalde griffierecht wordt terugbetaald aan X. Het arrest is op 24 januari 1996 in het openbaar uitgesproken door de genoemde raadsheren.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schending van toepasselijke wettelijke bepalingen.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: X) tegen de uitspraak van de President van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 1994 in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro die wet, betreffende een beslissing van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen te Amsterdam tot toekenning van uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Ingevolge - voor zover te dezen van belang - het bepaalde in de Coördinatiewet Sociale Verzekering en het bepaalde in de volksverzekeringswetten staat, zij het op beperkte gronden, de mogelijkheid open beroep in cassatie in te stellen tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Met betrekking tot de vraag of als zodanige uitspraken mede zijn aan te merken uitspraken als de onderhavige, heeft het volgende te gelden. Artikel 21, lid 1, van de Beroepswet bepaalt dat op het bij de Centrale Raad ingestelde beroep Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing is, behoudens hier niet ter zake dienende uitzonderingen. Overeenkomstige toepassing van deze bepalingen brengt mee dat ten aanzien van de uitspraken van de Centrale Raad en die van de President van dat College een zelfde onderscheid moet worden gemaakt tussen uitspraken in de hoofdzaak en uitspraken betreffende een voorlopige voorziening, als voor uitspraken is neergelegd in Afdeling 8.2.6 en artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, respectievelijk in artikel 8:84, lid 2, van die wet. Uit dit wettelijke stelsel volgt dat een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 voor Pro de toepassing van daartegen in te stellen rechtsmiddelen op één lijn moet worden gesteld met die, genoemd in Afdeling 8.2.6 en dat, gelijk artikel 18 van Pro de Beroepswet en artikel 37 van Pro de Wet op de Raad van State ten aanzien van de tegen uitspraken van de rechtbank en die van de president, als bedoeld in artikel 8:86 voornoemd Pro, in te stellen rechtsmiddelen, te weten hoger beroep, bepalen, zowel tegen een uitspraak van de Centrale Raad als tegen een uitspraak van de President van die Raad, als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op de voet van artikel 18c van de Coördinatiewet Sociale Verzekering beroep in cassatie openstaat. In zoverre is het beroep in cassatie derhalve ontvankelijk te achten. Nu dit evenwel niet is ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3 en 4 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet respectievelijk de artikelen 4 - 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, dient X niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.
2. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
3. Beslissing De Hoge Raad verklaart X niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is op 24 januari 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lubbers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Het door belanghebbende aan griffierecht betaalde bedrag wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende terugbetaald.