ECLI:NL:HR:1996:AA1834
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen uitspraak Centrale Raad van Beroep over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
X heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de President van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 1994, betreffende een beslissing over toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wettelijke regelingen, waaronder de Algemene wet bestuursrecht, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Beroepswet.
Uit de wettelijke bepalingen volgt dat beroep in cassatie openstaat tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en diens President, mits het beroep is gericht op schending of verkeerde toepassing van specifieke wettelijke artikelen. In dit geval is het cassatieberoep niet ingesteld ter zake van schending van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van X niet-ontvankelijk. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat geen veroordeling in proceskosten passend is. Het betaalde griffierecht wordt terugbetaald aan X. Het arrest is op 24 januari 1996 in het openbaar uitgesproken door de genoemde raadsheren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van X wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schending van toepasselijke wettelijke bepalingen.