ECLI:NL:HR:1996:AA1836
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing kinderbijslag voor vluchteling wegens ontbreken ingezetenschap
De zaak betreft een vluchteling die op 12 december 1990 met zijn gezin in Nederland aankwam en kinderbijslag vroeg voor de periode van 1 januari tot en met 30 september 1991. Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank wees de aanvraag af, waarna de rechtbank het beroep van de vluchteling gegrond verklaarde. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad oordeelde dat ingezetenschap in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) moet worden beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden, waarbij geen enkele omstandigheid doorslaggevend is. De Raad concludeerde dat de vluchteling op de peildata vóór 1 oktober 1991 nog niet als ingezetene kon worden beschouwd, ondanks aanwijzingen van vestiging zoals scholing en huisvesting.
In cassatie betoogde de vluchteling dat hij als vluchteling op grond van artikel 24 van Pro het Vluchtelingenverdrag recht had op gelijke behandeling. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip 'onderdaan' in artikel 24 van Pro het Verdrag moet worden uitgelegd volgens het Nederlandse nationaliteitsrecht en dat alleen Nederlanders als zodanig kunnen worden aangemerkt. Omdat ingezetenschap in de AKW niet automatisch volgt uit het Nederlanderschap, en het vluchtelingenstatuut geen ingezetenschap creëert, was de afwijzing van kinderbijslag terecht.
De Hoge Raad verwierp het beroep en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de vluchteling op de peildata nog geen ingezetene was in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.