Ploeger (noot onder HR 3 februari 1988, BNB 1988/145) stelde:
"Combinaties van personen, welke combinaties zelf geen rechtspersoon zijn, kunnen ondernemer zijn. Zij vallen onder het begrip "ieder"."
5.3. De voormelde beslissing geeft vaste jurisprudentie weer (vgl. o.a. HR 6 november 1985, BNB 1986/45, na conclusie van Soest en m.nt. Ploeger , en de conclusie van Van Soest voor HR 5 juni 1991, BNB 1991/243). Een naheffingsaanslag omzetbelasting moet dus in een dergelijk geval worden opgelegd aan de combinatie, niet aan de tot de combinatie behorende personen [vgl. HR 21 april 1982, BNB 1982/164, en Tariefcommissie 29 september 1953, BNB 1953/347, en voor het omgekeerde geval (geen zelfstandige combinatie) o.a. HR 5 juni 1991, BNB 1991/243, na conclusie van Soest en m.nt. Ploeger].
5.4. Een ander standpunt, bij voorbeeld toedeling van de omzet aan de deelnemers, zou bij maat- en vennootschappen tot grote moeilijkheden leiden.
5.5. Art. 6, lid 1, aanhef en onder a, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) houdt in:
"Inhoudingsplichtige is: degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan."
5.6. HR 30 januari 1980, BNB 1980/88, betrof een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd aan een vennoot van een vennootschap onder firma ten aanzien van personeel dat, naar later bleek , in dienstbetrekking tot de vennootschap stond. De aanslag werd vernietigd. HR 6 november 1985, BNB 1986/46 m.nt. Ploeger , betrof een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd aan twee voormalige echtgenoten [de belanghebbende (X) en Y] die samen een bedrijf uitoefenden. In de tenaamstelling werden beiden genoemd. Het hof had 'het bedrijf' als inhoudingsplichtige aangemerkt. De Hoge Raad verstond dit oordeel aldus
"dat de (...) in het bedrijf werkzame personen in dienstbetrekking stonden tot belanghebbende en Y te zamen, zodat deze beiden te zamen als inhoudingsplichtige dienen te worden aangemerkt."
Dat oordeel gaf volgens de Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.7. Hierbij is echter ook van belang dat de Wet LB 1964 blijkens het toenmalige art. 32, sub b, aannam dat de belasting ook verschuldigd kon zijn door een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (zie de conclusie van Van Soest voor HR 6 november 1985, BNB 1986/45, par. d).
5.8. Ten aanzien van de heffing van omzetbelasting ter zake van invoer (art. 1, onder b Wet OB 1968) wijst de AWDA de belastingschuldige aan (zie art. 22, lid 1 Wet OB 1968 en Ploeger, noot onder HR 4 september 1991, BNB 1991/314). Bij onregelmatige invoer is de belasting verschuldigd door `degene die de goederen heeft binnengebracht' (art. 119, lid 1, AWDA). 5.9. In beginsel zal onder `degene' moeten worden verstaan: `de natuurlijke of rechtspersoon door of namens wie' (de goederen zijn binnengebracht). Onder 'namens wie' zou ik ook willen begrijpen de vennootschap onder firma die haar werknemers goederen laat binnenbrengen. Wordt het binnenbrengen door een van de vennoten zelf vericht, dan kan uitnodiging tot betaling op naam van die vennoot worden gesteld omdat hij degene is die de goederen feitelijk binnenbracht. Trad hij daarbij op 'namens de vennootschap' dan zou ik - aansluitend bij hetgeen voor het civiele recht geldt (vgl. art. 5, lid 1 aanhef en onder 2? Rv ) - ook een uitnodiging tot betaling, gericht tot de vennootschap onder firma willen aanvaarden. Art. 119, lid 1 AWDA verplicht daartoe echter niet. De onder 5.2, 5.3. en 5.6. vermelde jurisprudentie lijkt mij hier niet zonder meer toepasbaar: hetgeen onder 5.4. en 5.7. werd opgemerkt geldt hier niet. De kwestie of de vennootschap recht heeft op vooraftrek van de belasting, vermeld op een uitnodiging tot betaling gericht aan een vennoot, zal door uitleg van art. 15, lid 1, onder c, 1?, Wet OB 1968 moeten worden opgelost.
6.Middel 1.
6.1. In het eerste middel wordt betoogd dat het Hof (r.o. 5.7.) ten onrechte een oordeel heeft gegeven over de aanvaardbaarheid van de aangifte. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de belanghebbende, indien hij de rechtmatigheid van de weigering van de aangifte had willen betwisten, de Inspecteur had moeten verzoeken hierover bij beschikking een uitspraak te doen. Aangezien de belanghebbende een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, zou de rechtmatigheid van die weigering vast staan.
6.2. Daarmee wordt de indruk gewekt dat het hier zou gaan om een beschikking die slechts op verzoek wordt gegeven. Het gaat hier echter - zie 3.6. - om een ambtshalve te geven beschikking. Ontbreekt die beschikking, dan gaat het om een open vraag die het hof zo nodig kan beantwoorden. Derhalve faalt het middel.
7. Middel 2.
7.1. In het tweede middel wordt het oordeel van het Hof omtrent de aanvaardbaarheid van de aangifte op inhoudelijke gronden bestreden.
7.2. Aangezien het Hof kennelijk heeft miskend dat een beslissing over de aanvaardbaarheid van de aangifte geen terugwerkende kracht heeft (zie 4.2.) - zodat de uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven - laat ik dit middel buiten behandeling.
8.Middel 3.
8.1. In de aanvulling op het beroepschrift aan het Hof wordt medegedeeld dat de belanghebbende en de heer A samen een postzegelhandel dreven, dat zij - in het kader van die ondernemingsactiviteit - op 27 juni 1992 samen in Duitsland de onderwerpelijke partij postzegels hebben gekocht en de partij samen, met een tussenstop bij het douanekantoor te Q, naar R hebben vervoerd.
8.2. Het aangifteformulier vermeldt de afzender (de Duitse verkoper), de geadresseerde ( B1? ) en de aangever/vertegenwoordiger ( A ). In de aanvulling op het beroepschrift werd gesteld (blz. 5):
"De postzegels zijn vervoerd in de auto van de heer A. Niet [de belanghebbende] heeft de goederen Nederland binnengebracht en aangegeven, maar de heer A, namens B."
8.3. Het Hof (uitspraak, blz. 2) heeft vastgesteld dat `de belanghebbende en/of de heer A' de postzegels hebben aangebracht en daarvan aangifte hebben gedaan.
Het Hof heeft overwogen (r.o. 5.9)
"dat de Inspecteur (...) niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende - en niet de heer A - de goederen heeft binnengebracht in de zin van (art. 119, lid 1, AWDA), zodat, gelet op de mitsdien onjuiste tenaamstelling, (...) de Uitnodiging dient te worden vernietigd."
8.4. Dit oordeel wordt in het derde middel bestreden met een motiveringsklacht.
8.5. Met de Staatssecretaris acht ik het oordeel, gelet op de onder 8.1. vermelde (door de belanghebbende opgegeven) omstandigheden, onbegrijpelijk. Die omstandigheden laten dunkt mij geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende en de heer Vervoorn de postzegels samen hebben binnengebracht. Een uitnodiging tot betaling op beider naam zou - zie 5.9. - mogelijk zijn geweest, maar stelling op naam van een van de daders lijkt mij niet onjuist.
9.Beschouwing ambtshalve.
9.1. Belanghebbendes subsidiaire stelling betrof de vastgestelde omvang van de belastingschuld.
9.2. Het in de uitnodiging tot betaling vermelde bedrag aan verschuldigde belasting ad ƒ 1.457,10 is gebaseerd op het (tot 1 oktober 1992 geldende) algemene tarief van 18,5% (art. 20, lid 1, Wet OB 1968). Postzegels die in Nederland geen frankeerwaarde hebben vallen echter onder het lage tarief van 6% (art. 20, lid 2, onder a, Wet OB 1968 j? post a 37 van de bij de Wet OB 1968 horende tabel I). Aangezien tussen partijen niet in geschil was dat de ingevoerde goederen bestonden uit een partij gebruikte postzegels - die dus geen frankeerwaarde hebben - was de subsidiaire stelling van de belanghebbende waarin om toepassing van dit lage tarief werd verzocht (neerkomend op 6% van ƒ 7.875,-, ofwel ƒ 472,50), gegrond.
9.3. Door een en ander ontvalt ook de basis aan 's Hofs beslissing omtrent de proceskosten (r.o. 6).
10. Conclusie.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur, tot vermindering van de uitnodiging tot betaling tot een naar een bedrag van
ƒ 472,50 en tot zodanige beslissing omtrent de kosten als Uw Raad juist acht.