ECLI:NL:HR:1996:AA1852

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30715
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Wildeboer
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 lid 1 onderdeel a onder 1° Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek giften wegens ontbreken algemeen nut Vereniging

Belanghebbende, secretaris van een Vereniging, had in zijn aangifte inkomstenbelasting voor 1991 giften opgevoerd bestaande uit contributie en secretariaatskosten. De Inspecteur wees deze aftrek af omdat de Vereniging niet als een algemeen nut beogende instelling werd aangemerkt. Het Gerechtshof Arnhem bevestigde dit oordeel, stellende dat de statutaire doelstelling van de Vereniging primair particuliere belangen dient en dat er geen feitelijke werkzaamheden zijn die een algemeen belang dienen.

In cassatie betoogde belanghebbende dat het Hof onjuist had geoordeeld, maar de Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de feitelijke oordelen niet met succes konden worden bestreden. De Hoge Raad verwierp daarom het beroep en bevestigde dat de bedragen terecht niet als giften aan een algemeen nut beogende instelling waren aangemerkt.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en sprak het arrest uit op 10 januari 1996 in aanwezigheid van de raadsheren en griffier.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de Vereniging geen algemeen nut beogende instelling is, waardoor de giften niet aftrekbaar zijn.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 september 1994 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.484,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende voert het secretariaat van de Vereniging A (hierna: de Vereniging). In zijn aangifte heeft belanghebbende onder meer een bedrag van ƒ 50,-- aan contributie voor de Vereniging en een bedrag van ƒ 2.755,-- aan niet door hem bij de Vereniging gedeclareerde secretariaatskosten opgevoerd als aftrekbare giften. 3.2. Voor het Hof was primair in geschil of de Vereniging moet worden aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling zoals bedoeld in artikel 47, lid 1, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). 3.3. Met het in onderdeel 6.1 van de bestreden uitspraak gegeven oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de statutaire doelstelling van de Vereniging niet primair is gericht op een algemeen belang, maar op particuliere belangen. In onderdeel 6.2 van de bestreden uitspraak heeft het Hof voorts tot uitdrukking gebracht dat van feitelijke werkzaamheden van de Vereniging welke niet in overwegende mate in dienst staan van particuliere belangenbehartiging, maar primair een algemeen belang dienen, niet is gebleken. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. 3.5. Uitgaande van voormelde oordelen heeft het Hof met juistheid beslist dat de in 3.1 bedoelde bedragen door de Inspecteur terecht niet zijn aangemerkt als giften aan een instelling als bedoeld in artikel 47, lid 1, van de Wet. De klachten falen derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 januari 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.